Prometheus 2006

boek_wanneer2.jpg

Wagiman ontmoet zijn toekomstige vrouw Soemi op de dag waarop zij tegen haar zin met een andere man trouwt. Samen vluchten ze. Het is het begin van een duizelingwekkende reis die van het stille dorp Tambaredjo, via het drukke Paramaribo, op een vrachtschip over de wereldzeeën leidt, en eindigt in de Nederlandse havenstad IJmuiden.
Wanneer wij samen zijn is het verhaal van drie verschillende generaties, vol vloeken en betoveringen, en oude en nieuwe werelden die met elkaar botsen. Een verhaal over armoede, verdriet en liefde, maar vooral over een familie die van niets in de wereld zeker is, behalve van elkaar.

De pers over Wanneer wij samen zijn:

‘Wanneer wij samen zijn van Karin Amatmoekrim is een levendige, goedgeschreven autobiografische roman over een Javaanse familie die via Suriname in Nederland terecht is gekomen. Haar debuut Het knipperleven kreeg al goede kritieken en met haar nieuwe boek bevestigt ze beslist haar reputatie als een van de grote literaire beloftes van Nederland.’
Living

‘Als een traditioneel verhalenverteller, met het kalme tempo dat daarbij hoort, heeft [Amatmoekrim] haar familiegeschiedenis vol vloeken, betoveringen en noodlottige gebeurtenissen opgetekend. Dat het hier en daar wat braaf is, zal te maken hebben met het gebrek aan afstand tot haar materiaal. Voordeel daarvan is wel weer de tederheid voor haar familieleden die ze op papier weet over te brengen.’
Avant Garde

Boekentip van de maand.
Elle

‘Kroniek van een Javaanse familie, en hun pogingen in Suriname en Nederland een bestaan op te bouwen. Geen modieus proza. De schrijfster wil scoren noch vernieuwen, maar vertellen kan ze wel.’
Trouw

‘Liefde en het leed wat daaruit voortkomt drijft deze roman. Karin Amatmoekrim heeft met Wanneer wij samen zijn een prachtige roman geschreven. Lezen dus!’
Radio Breda

‘Amatmoekrim geeft een diep inlevende schets van het leven in een gezin met gescheiden
ouders, ze weet jonge pubers voortreffelijk te typeren (…) en kijk nu toch eens wat een schitterende zin zij in alle eenvoud weet neer te schrijven: ‘Suriname was heel mooi, begreep Deborah. Zo mooi, dat je er verdrietig van werd als je er ver vandaan was’’
Oso

‘Op schitterende wijze verwoordt dit unieke verhaal het aangrijpend stille zwijgen, maar ook de stille passie van ouders en overgrootouders van deze bevolkingsgroep. Beeldend, meeslepend en boeiend.’
Plus Magazine

‘De roman is intens geschreven: de geschiedenis is fascinerend, de gevoelens zijn puur, de schoonheid van het land aanlokkelijk.’
Eva December 2006

‘Een prachtig geschreven familieverhaal dat inzicht geeft in het alledaagse leven in Suriname. Het deel dat zich in Velsen afspeelt maakt pijnlijk duidelijk hoe hard het leven van een migrant(enkind) kan zijn.’
Velser Courant

‘Zoals gezegd, het verhaal leest als een trein. Amatmoekrim kan schrijven, dat was al duidelijk toen haar eerste boek verscheen. (…) De beelden die ze gebruikt zijn sterk, ze roept met haar beschrijvingen een wereld op die echt voor je gaat leven.’
De Ware Tijd 15 december 2006

Fragment
Uit: Wanneer wij samen zijn:
Karin Amatmoekrim

Wagiman had haar horen gillen terwijl hij aan het werk was. Toen hij het huis binnen was gerend, was ze al aan het bloeden.
Zittend op de grond naast hun bed, graaide ze in haar doorweekte sarong, in een wanhopige poging het onomkeerbare ongedaan te maken. De vrouwen die later kwamen om haar te verzorgen, vertelden dat het kind dood was en dat ze het moest baren. Het leek hem barbaars om zoiets van een vrouw te verlangen, maar Soemi deed het. Ze liet de weeen komen en perste het kind uit haar lichaam zonder een kreet te slaken. Toen het op haar borst werd gelegd, sloeg ze haar armen om het warme maar toch stille lichaampje en schreeuwde harder dan ze gezwegen had tijdens het baren. Haar moederliefde was verminkt en ze schreeuwde omdat ze de kracht niet vond om te vragen hoe het kon gebeuren en wanneer het kind was gestopt met bewegen en waarom, waarom, waarom het zo moest zijn.

Wagiman was in de kamer, waar zijn machteloosheid hem in een hoek had gedreven. Hij keek zonder iets te zeggen naar zijn Soemi, zonder zijn tranen op zijn handen te voelen vallen. Hij wilde haar sussen en zeggen dat het allemaal weer goed zou komen. Hij zou voor haar liegen, als dat haar pijn zou verzachten. Maar hun verlies stond onbeweeglijk tussen hen in, zijn troost bestond niet voor haar.

Zij kon hem niet uitleggen dat het verdriet zo groot was, dat haar lichaam er pijn van deed. Dat ze zoveel van dit kind hield, dat gestopt was te bestaan voordat het bestond, en dat ze het desondanks kende als al haar andere kinderen, omdat het was ontstaan in haar lichaam. Dat zij het had moeten beschermen omdat het nog te klein was om zonder haar te leven, maar dat zij het zelfs toen het binnenin haar was, niet had kunnen redden. Haar lichaam huilde zo hard dat het vergat hoe het moest ademen en het had weinig gescheeld of Soemi was gestorven aan de ondraaglijke pijn van het verliezen van een kind.

Maar toen de zon twee keer was ondergegaan en toch weer opkwam, liet ze de vrouwen toe haar te baden en merkte dat haar pijn nog steeds levensgroot maar toch opeens draaglijk werd. Ze begroef het kind op de Islamitische begraafplaats naast het dorp. Ze koos een koel plekje onder een grote boom, waar vuurrode bloemen opschoten en daarmee het graf markeerden en gaf het kind een naam die ze aan niemand anders, zelfs niet aan Wagiman, vertelde. Dit was háár kind en het had ervoor gekozen geen deel uit te maken van het leven van andere mensen. Zij zou die wens, als het er al een was, respecteren en begroef het kind anoniem, maar riep het bij zijn naam in haar dromen en in haar nachtmerries.