Karin Amatmoekrim » 25 onder 35

25 onder 35

Prometheus 2006

boek_25_2.jpg

Said El Haji en Annelies Verbeke selecteerden 25 Nederlandse en Vlaamse schrijvers die hun 36ste verjaardag nog niet zijn gepasseerd. Speciaal voor 25 onder de 35 schreef deze opkomende lichting auteurs nieuwe, niet eerder verschenen verhalen.

Sommigen van hen hebben al meerdere romans op hun naam staan en zijn alom bekend, anderen werken nog aan hun debuut en moeten hun naam nog maken. Juist deze diversiteit geeft een goed beeld van het proza dat op dit moment wordt geschreven door jonge en toonaangevende schrijvers uit Nederland en Vlaanderen.

Uit: 25 onder de 35

Vlucht
Karin Amatmoekrim

Vannacht ben ik even weggeweest. Hoe het kan dat ik de weg terug heb gevonden, is me een raadsel. Maar goed, ik ben er weer.
Ik was op zoek gegaan naar Zoë. Ze was mijn vrouw in dat andere leven. Het leven waarvan de rechter zegt dat ik het me verkeerd herinner. Dat wil zeggen, het leven dat ik heb verzonnen en dat nooit echt geweest is. Hij is de baas, maar hij heeft ongelijk. Want Zoë heeft wel degelijk bestaan.
Ik heb jarenlang moeten praten, zo vaak en zo veel dat ik in de war ben geraakt. Was ze nu groot en dik? Nee, nee, natuurlijk niet. Als ik haar kuste, moest ik door mijn knieën zakken. Zij rekte zich altijd uit om bij mijn gezicht te komen. Haar middel paste tussen mijn handen, zo smal was ze, zo smal was je. Ik was je niet vergeten, Zoë, ik heb je gewoon weggedacht. Het was me bijna gelukt om me een ander leven te herinneren, eentje zonder jou, een leven dat ze wel zouden geloven. Maar je was nooit helemaal weg. En nu je terug bent, maakt het allemaal weinig meer uit. Ik moet weg hier en jij gaat met me mee. Ze hebben me de tijd gegeven om zelf te vertrekken, maar ik wist niet waar te beginnen. Nu is mijn tijd op, en gaan ze me uitzetten. Net als Gerda, de kantinejuffrouw van het buurthuis, wel eens tegen me zegt als ik corvee heb: ‘Sakui, zet jij het koffieapparaat eens uit.’
Ik ben hier al heel lang en elke keer als ik moest vertellen wat ik kwam doen en wat ik deed voordat ik kwam en waar ik woonde en wie mijn familie was en zelfs wanneer ik ben geboren, dan geloofden ze me niet. Ik kreeg nog één kans om ze te overtuigen, maar het is mislukt. Ze sturen me terug, ondanks dat ik een tolk had. Of eigenlijk denk ik dat ze me terugsturen omdat mijn advocaat een tolk voor me had geregeld.
Ik legde hem uit: ‘Mister Janzen, ik heb al een tolk. Vamba, mijn vriend die ik op een Afrikaans feest in de Bijlmer heb ontmoet. Hij is de eerste die ik in Nederland ben tegengekomen die net als ik uit het noorden van Liberia komt. Hij spreekt Bandi, mijn taal, en wil graag mijn tolk zijn, Mister Janzen. Hij heeft zijn verblijfsvergunning al en hij wil mij graag helpen om mijn verhaal te vertellen.’
‘Not necessary,’ zei Mister Janzen, ‘not necessary.’ Mister Janzen liet mijn vriend bij de bezoekers zitten en stelde mij aan zíjn tolk voor. Hij heette Fred en hij had diploma’s en daarom zat hij naast me en niet Vamba. Fred verstond me niet. Ik schaamde me voor mijn slechte Engels. Aan het einde van het gesprek was de rechter moe en geïrriteerd en keek Mister Janzen nors toen hij me zei dat het hem speet.
Mijn vriend in de bezoekersstoel huilde. ‘Die tolk vertaalde alles verkeerd,’ riep hij, ‘nu klopt je verhaal van geen kant. Daarom sturen ze je terug.’
Ik haalde mijn schouders op en dat maakte mijn vriend kwaad.
‘Kan het je dan niets schelen?’ schreeuwde hij. ‘Je wordt teruggestuurd. Maakt dat je dan niets uit?’
Maar ik dacht alleen aan Zoë. Ik heb haar de afgelopen weken overal gezocht. Bij de zwervers in het park, tussen de meisjes met de hoofddoekjes die bij de tramhalte staan. Ik zocht haar bij de kinderen die de borders van de speeltuinen afspeuren naar witte bolle bloemen waarop ze kunnen blazen. Ik keek of ze zich verschool tussen de junks die op de trappen voor de supermarkt zitten of tussen de bezonnebrilde bezoekers die de terrassen in de stad bevolken. Steeds had ik het gevoel dat ze er was, maar ik vond haar nergens. Soms rook ik de olie waarmee ze zich altijd insmeerde of hoorde ik haar stem in de verte. Dan riep ik haar naam, zo hard ik kon, bang dat ze vlakbij zou zijn en me niet zou opmerken. Veel mensen keken om, maar geen van hen was Zoë.

Ik zit in een huis vol Afrikanen die allemaal naar hun land teruggaan. We zijn met z’n elven. Elf onverschillige zwarte mannen vol zelfmedelijden. Ieder kookt zijn eigen eten van de ingrediënten die we halen bij de toko’s van de slimme Surinamers, die naast hun eigen creoolse levensmiddelen nu ook allerlei Afrikaanse dingen verkopen. In het huis is een gezamenlijke ruimte waarin we televisie kijken met ons eten op schoot. We praten veel, maar niet over de dingen waar we aan denken. We sluiten geen vriendschap. We maken geen plannen.
Ik heb de Nederlandse seizoenen al een paar keer zien wisselen. De zomer is niet favoriet, hoewel de zon vriendelijker is als hij warm is in plaats van heet, zoals bij ons, en ik zijn warmte mis als hij zich mokkend verschuilt achter dat gebergte van wolken in de herfst. Maar toch hou ik van de winter, ik voel me thuis in de winter. Nou ja, thuis is misschien niet het goede woord. Het komt door mijn ademhaling. Die heb ik in de Nederlandse winter als bij toverslag zien ontstaan. Een klein wolkje dat uit het niets ontstaat en meteen weer in het niets verdwijnt. Het bewijs dat ik er nog ben. Want dat ik besta is makkelijk te vergeten in het niemandsland van papieren en voorschriften en mensen als Mister Janzen, die zich met me bezighouden zonder zich om me te bekommeren. Ach, die winter. Wat zal ik die missen.

Zoë heb ik niet gevonden. Zij heeft mij gevonden. Vannacht. Ik dacht dat ik gewoon in mijn bed had geslapen, maar ik werd wakker op een harde houten bank in het park. Zoë zat naast me, alsof er niets gebeurd was. Ik riep geschrokken haar naam. Ze lachte hard om mijn verbaasde gezicht.
‘Doe es normaal,’ zei ze, ‘iedereen kijkt naar je.’ Ze had gelijk, het was druk in het park. Tegenover me zat een groep jonge mannen en vrouwen op het gras. Ze dronken bier uit flesjes en keken af en toe stiekem naar me. Wanneer ik opkeek, draaiden ze zich snel om. Eén vrouw bleef kijken. Ze leek bezorgd. Even dacht ik dat ze naar me toe zou komen, maar ze bleef waar ze was.
Ik fluisterde, bang dat de jonge mensen weer naar me zouden kijken: ‘Wat doe je hier?’ Waar was je? Hoe ben je hier gekomen?’ Ik stelde wel twintig vragen achter elkaar, maar ze beantwoordde er geen. Ze fronste en toen stopte ik maar met vragen, bang dat ze weer weg zou gaan. Ik wilde haar omarmen en boog naar haar toe. In plaats dat ik haar vastpakte, hoorde ik mezelf de eenentwintigste vraag stellen: ‘Leef je nog?’
Ze zei: ‘Heb je me niet gezien?’
Ik antwoordde dat ik haar dood had zien gaan. ‘Je stierf op me,’ zei ik.
Ze lachte alsof we een mooie herinnering ophaalden. ‘Ja, je droeg me op je rug toen ik doodging.’
‘Waar was je?’
‘Ik was gewoon hier,’ zei ze, ‘bij jou. Ik heb je zien vluchten.’
‘En die soldaten? Was je daar ook bij?’
Ze knikte. ‘Ik herinner me hen, vooral die ene,’ zei ze. ‘Die jonge. Hij zag eruit alsof hij stonk.’
Hij stonk ook.
Ik moet weer in slaap gevallen zijn, want opeens was ze weg. De mensen die hun bier uit flesjes dronken waren ook verdwenen. Het park was donker. Uit de schaduw van de struiken kwam gefluister. In de verte achter de bomen klonken doffe knallen, snel als een mitrailleur, dan weer traag en onregelmatig. Het licht van de lantaarnpalen was niet geel of wit maar rood. Er slopen een paar mensen over de kronkelende fietspaden. Ik trok mijn hoofd tussen mijn schouders, bang dat ze me zouden zien. Maar ze liepen door in de richting van een huis dat diende als café. Daar zaten er meer als zij, gevaarlijk, onvoorspelbaar. Uit de open ramen van het café steeg hun duivelse muziek op naar de hemel, de klanken haalden uit naar de sterren. Ik keek om me heen. Niemand. Duisternis, rood licht, geluiden recht uit de hel. Mijn hart begon te protesteren. Ik legde een hand op mijn borst en luisterde naar wat het me wilde zeggen. Ga. Nu. Ren. Weg. Ik gehoorzaamde en begon te rennen, het park uit en de stad door, langs de verblindende lichtflitsen van de auto’s en de trams, voorbij de mensen zonder gezicht tot ik bij een metrohalte kwam. Ik ging de trappen af en verdween onder de grond. Onderaan de trap stonden mannen in blauwe uniform. Ik aarzelde. Een vrouw zei iets tegen me. Ik durfde haar niet aan te kijken. Ze herhaalde haar bevel. Uw vervoersbewijs alstublieft. Haar uitbundige make-up vloekte met het strenge uniform. Ik toonde haar mijn pasje. Ze deed een stap opzij en ik liep snel van haar weg. Het perron was stil. De schaduwen en de geluiden werden onverbiddelijk buitengesloten door het harde witte licht dat langs de betegelde muren stroomde. De helderheid troostte me, maar mijn hart bedaarde niet. Een man met versleten schoenen zat op een bankje. Hij keek niet naar me. Hij droeg een T-shirt met logo’s van autobedrijven. In het midden van zijn borst stond in zwarte letters TT Assen. De metro rolde binnen en de man duwde zich verveeld van zijn bankje omhoog en slenterde op de metro af. Ik ging een andere wagon in. De stoelen waren allemaal leeg. Een vrouw stond bij de deuren. Ze hield zich vast aan een metalen stang. Ik ging met mijn rug naar haar toe staan en probeerde door het donkere glas naar buiten te kijken. Ik zag alleen mijn eigen gezicht, bezweet en bang. Ik veegde het zweet weg met mijn mouw. Zoë was erbij geweest, dacht ik, ook toen de soldaten me hadden gevonden nadat ik voor ze was gevlucht. Ik zag hem voor me, de jongen die zich tegen me aan had gedrukt, zijn geweer als een trofee omhooggehouden en een scherpe stank die tussen zijn keel en zijn tong in zijn mond rond had gekolkt en naar buiten sloeg toen hij tegen me begon te schreeuwen. Hij stonk, Zoë, hij stonk zo vreselijk. Zijn geur prikte in mijn ogen en ik deed onwillekeurig een stap naar achteren. Achter me werd nadrukkelijk gekucht. De vrouw trok haar jas dichter om zich heen. Ik schoof een paar centimeter van haar vandaan. Met een schel geluid gingen de metrodeuren open. De vrouw vluchtte de metro uit. Ik had het gevoel dat ik iets zou moeten doen. Huilen misschien. De deuren sloten zich weer en in de weerspiegeling zag ik nu Zoë’s gezicht naast het mijne.
‘Ik wil bij jou zijn,’ zei ik.
‘Dan moet je me roepen,’ antwoordde ze.
Ze maakte altijd alles makkelijk, mijn Zoë.
‘Als je aan me denkt, ben ik niet dood,’ zei ze.
Dan wil ik veel aan je denken. Dan wil ik nooit meer niet aan je denken.
Ze lachte.
Ik was vergeten hoe vrolijk ze altijd was, mijn Zoë. Ze lachte vroeger ook al meer dan de meeste mensen. Ook als er niets te lachen was, lachte ze. Ik leunde met mijn voorhoofd tegen het glas. Ze kwam achter me staan en sloeg haar armen om mijn middel en ik voelde me heerlijk en vrij en licht. Zo moet ik in slaap gevallen zijn, in haar armen in de tram. Ze heeft me zeker naar huis gebracht, want ik ben wakker geworden in mijn bed.

Het is al laat als ik ga douchen. Wanneer ik klaar ben met het inpakken van mijn tas, hebben de anderen al ontbeten. Ik loop de keuken in en smeer boter op een witte boterham. Ik strooi er chocoladehagelslag overheen en eet hem in een paar happen op. Dat zal ik het meeste missen, chocoladehagelslag. En de winter natuurlijk. Ik maak nog drie boterhammen en ga bij de anderen voor de televisie zitten.
‘Time’s up!’ zegt een van mijn huisgenoten. Ik grinnik. Zij hebben ook hun tassen ingepakt en we wachten op de bus die ons naar het vliegveld gaat brengen. We kletsen over de dingen waar we niet aan denken. We lachen. We sluiten geen vriendschap. We maken geen plannen.
Er wordt getoeterd. Bijna tegelijkertijd gaat de deurbel. Mijn maag trekt samen en ik voel mijn huid klam worden. Ik sta op en pak mijn tas van de grond. Ik loop met de andere mannen naar de deur die al open staat. Op de stoep staan drie soldaten met vriendelijke gezichten. Achter hen staat een zilveren bus. Ik ben bang. Ik ben zo bang, Zoë. Het geeft niet, zegt ze. Kom maar met mij mee. Ze pakt mijn hand en ik krijg het gevoel dat alleen zij me kan geven. Ik glimlach. ‘Are you okay?’ vraagt een soldaat als ik in de bus stap. Ik hoor hem niet meer, ik hoor nu alleen nog de sussende woorden van Zoë, mijn lieve, lieve Zoë.