Karin Amatmoekrim » interviews

interviews

Het Parool, 7 oktober 2006

parool.jpg

In haar tweede roman, Wanneer wij samen zijn, beschrijft Karin Amatmoekrim de geschiedenis van haar voorouders, Javaanse contractarbeiders in Suriname. Over de omzwervingen van een familie, van Java via Saramacca naar IJmuiden.

PATRICK MEERSHOEK

Een half jaar na de geboorte van haar dochter Sumi begon Karin Amatmoekrim (Paramaribo, 1976) te schrijven aan haar tweede roman, waarin zij het spoor terug volgt van de generaties voor haar. Handelde Amatmoekrims debuutroman Het knipperleven nog over de gevolgen van een mislukte tandheelkundige ingreep, nu was er de behoefte om in de geschiedenis van de familie te duiken en de verhalen op te schrijven die zij van jongaf aan op feesten en verjaardagen te horen kreeg.

Stof genoeg voor een roman vol bizarre verwikkelingen van Zuid-Amerikaanse snit. De grootmoeder van de schrijfster wordt op jonge leeftijd als bruid geschonken aan een veel oudere man, maar na drie dagen huwelijk houdt zij het voor gezien en maakt zich uit de voeten met een trommelaar van haar eigen leeftijd. Als de vrouw negen maanden later in het oerwoud van een dochter bevalt, voegt de in de steek gelaten echtgenoot zich bij de twee geliefden om in de buurt van zijn kind te kunnen zijn. Waar de gemiddelde Nederlandse man een straatverbod zou eisen, regelt de trommelaar een hangmat voor de concurrentie.
Amatmoekrim is dol op zulke exotische verhalen, vertelt ze. “Ze zijn voor mij vreemd en vertrouwd tegelijk. Ik woon inmiddels vijfentwintig jaar in Nederland en ik ben redelijk nuchter. Maar als ik op bezoek ben in Suriname, merk ik dat ik nog steeds ontvankelijk ben voor de mystieke kant van de cultuur van mijn familie. Als mijn neven in Paramaribo waarschuwen dat ik na middernacht niet meer naar de Palmentuin moet gaan vanwege de geesten die daar dwalen, denk ik eerst dat ze mij voor de gek houden. Maar als het ernst blijkt te zijn, neem ik zo’n gedachte net zo snel over. Wat in Nederland ondenkbaar is, is in Suriname heel goed mogelijk.”

Wat de roman ook bijzonder maakt, is de beschrijving van het leven van de Javaanse contractarbeiders in Suriname, een groep die weinig aandacht krijgt in de geschiedschrijving, laat staan in de literatuur. De overgrootouders van Amatmoekrim maakten deel uit van het legioen van meer dan dertigduizend Javanen die tussen 1890 en 1930 de oversteek naar Suriname maakten om als contractarbeider te werken op de Nederlandse plantages in het binnenland. Zij namen de plaats in van de Creoolse slaven, en hoewel de vergelijking met de slavernij in alle opzichten mank gaat, leidden ook deze Javaanse gastarbeiders een moeizaam bestaan vol ontberingen. Veel Javanen keerden na het uitdienen van hun contract terug naar Nederlands-Indie, anderen bleven in Suriname om een toekomst op te bouwen.

Het verblijf in Suriname tekende beide groepen. In Nederlands-Indie werd neergekeken op de Javaanse Surinamers, in Suriname eveneens. Amatmoekrim: “Zij waren vrijwillig naar de plantages gekomen om het werk te doen waartoe de Creolen eerder waren gedwongen.” Vandaag de dag is dat geen punt meer. “In Suriname is sprake van een geslaagde integratie. Er zijn heel veel gemengde huwelijken. Javaanse vrouwen zijn populair. En vlak ons aandeel in de Surinaamse keuken niet uit. De hindoestanen maakten de roti bekend, de Creolen hun moksi alesi, maar de Javanen namen de hele Indische keuken mee.”

De odyssee van de familie Amatmoekrim kreeg een vervolg toen de moeder van de schrijfster in 1988 met haar tweede echtgenoot en drie kinderen naar Nederland verhuisde. Het huwelijk liep spaak en moeder en kinderen bleven achter op een troosteloos flatje in IJmuiden. Amatmoekrim groeide op tussen Turkse kinderen en een enkele Marokkaan. “De moeders werkten op de visafslag. Ik herinner me de vreselijke vislucht in de bus naar school. Dat is niet bevorderlijk voor de integratie, vislucht.” Op het gymnasium in Velsen kwam Amatmoekrim voor het eerst met Nederlandse kinderen in contact. “Dat was echt een andere wereld. Ik keek mijn ogen uit. Ik was jaloers op de mooie nieuwe fietsen van mijn klasgenoten. Ik reed op een oude, veel te kleine fiets.”

Een keerpunt noemt Amatmoekrim het verblijf op de universiteit in Amsterdam, waar ze letteren studeerde. “Daar werd ik voor het eerst voor vol aangezien. Mijn achtergrond was geen nadeel meer, misschien zelfs wel een voordeel. Ik had in elk geval een plan en een perspectief om iets op te bouwen.” Na de afronding van haar studie startte Amatmoekrim een pr-bureau. Daarnaast begon ze te schrijven aan haar eerste roman. En ze kreeg een dochter, die misschien als eerste in de geschiedenis van de familie van meet af aan uitzicht heeft op een verzorgd leven, in elk geval op een goede fiets tegen de tijd dat ze naar de brugklas gaat.

Aan deze Sumi droeg Amatmoekrim haar roman op. “De afstand tussen mijn dochter en mijn voorouders is groot en wordt steeds groter. Zij groeit op in een materiele welstand waar mijn familie in Suriname alleen maar van kan dromen. Toch hoop ik dat zij zich altijd bewust zal blijven van haar wortels. Ze heeft een bijzondere voorgeschiedenis, zoals ik in dit boek heb willen laten zien. Haar voorouders hebben echt moeten ploeteren.” De familie is trots op Amatmoekrim, al was haar moeder aanvankelijk niet enthousiast over het openbaar maken van de persoonlijke verhalen. “Ik heb haar het manuscript vooraf laten inzien. Ze heeft het in een nacht uitgelezen en heel hard gehuild. En daarna zei ze mij: ja, zo is het precies gegaan.”

EVA, december 2006

foto-eva.jpg

Eva 12, Kaarten op Tafel

Karin Amatmoekrim (29) werd in Paramaribo geboren. In 1981 emigreerde ze naar Nederland. Ze studeerde psychologie en moderne letterkunde aan de UvA en is werkzaam in de pr en communicatie. Ze woont samen met Jesse in Amsterdam. Samen hebben ze een dochter van 2: Sumi. Karin debuteerde met Het Knipperleven. Onlangs verscheen haar tweede roman Wanneer wij samen zijn bij uitgeverij Prometheus. Het verhaal, gebaseerd op feiten (sommige personages en situaties zijn verzonnen), gaat over haar eigen Javaanse familie in Suriname en Nederland. Drie generaties maken liefde, verdriet en armoede mee. Ze zijn van niets in de wereld zeker zijn, behalve van elkaar. De roman is intens geschreven: de geschiedenis is fascinerend, de gevoelens zijn puur, de schoonheid van het land aanlokkelijk.

Getalenteerd en doelbewust beweegt Karin Amatmoekrim zich door het leven. Dat is niet vanzelfsprekend als je haar tweede roman over haar familie én haarzelf leest: Wanneer wij samen zijn. Ze heeft weinig leuke herinnering aan haar jeugd. Maar, zegt Karin beslist: “Mijn pijn en verdriet zijn verwerkt, het verleden is geen issue meer.’’

Aan de drukke Herengracht in Amsterdam banen auto’s toeterend een weg, rijden fietsers een slalom, staren slecht geklede toeristen naar de gevels en spoeden bewoners zich al dan niet in driedelig grijs naar hun werk. Hier zitten we aan een koffie verkeerd in een brasserie. Karin lacht veel en praat relativerend, maar gaat niet voorbij aan de soms heftige emoties die bij het verleden horen. Ze is eerlijk en verschuilt zich niet achter mooie woorden.

Waarom heb je dit boek beschreven?
“Ik werd geïnspireerd door de waargebeurde verhalen in mijn familie, waarin onrecht, woede, verdriet en liefde een rol speelden en eigenlijk nog steeds spelen. Pas ontdekte ik dat mijn vader kinderen bij verschillende vrouwen had. Het is net een soap: dat verzin je allemaal niet zelf. Ik was ook gefascineerd door de vele spookverhalen die mijn familie vertelde, ’s avonds laat op verjaardagen bijvoorbeeld. In mijn boek zie je deze magie, wat zo helemaal past bij onze cultuur, terugkomen. Bovendien wilde ik met dit boek een eerbewijs aan mijn familie leveren. Ik was de eerste in mijn familie die ging studeren; mijn ooms en tantes waren apetrots. Mijn familie in Suriname zette na mijn bul zelfs een advertentie in de krant: ‘Gefeliciteerd doctorandus’, helemaal uitgeschreven. Mijn moeder heeft daarvoor offers moeten brengen, net als haar moeder. Ik heb het niet alleen voor mijzelf geschreven, maar ook voor hen.’’

Welk aspect van jouw familieleven vind je het meest fascinerend?
‘’Door alle tegenslagen en generaties heen was er altijd liefde. Ik heb weliswaar zelf veel meegemaakt (armoede, mishandeling, zorg voor zusje, broertje én moeder, een alcoholistische stiefvader die nooit aanwezig was, red.), maar op een gegeven moment, na heel veel zelfmedelijden, besefte ik dat ik geluk heb gehad. Hoewel het niet altijd duidelijk was, was de basis bij ons thuis liefde.”

Ik kan me voorstellen dat je zoektocht in het verleden wel eens confronterend was.
“Af en toe zat ik bij het schrijven echt te huilen, bijvoorbeeld toen ik me inleefde hoe door de ogen van een kind oma Soemi werd begraven. Het heftigste deel was echter het laatste, dat zich afspeelde in IJmuiden waar wij naar toe waren verhuisd. Het is heel moeilijk om in te zien dat je moeder fouten heeft gemaakt, terwijl je juist in de Surinaamse cultuur leert om veel respect voor je moeder te hebben. Maar ik neem haar niets kwalijk. Ze was helemaal alleen, gefrustreerd, 25 jaar, ze had drie kinderen en geen geld. Niettemin heeft mijn moeder mij altijd onvoorwaardelijk gesteund in de dingen die ik doe. Ze is ontzettend trots op mij.’’

Je neemt haar graag in bescherming… is er ruimte voor jezelf?
“Ja, ik eis altijd een plaats voor mezelf op. Ik wil dat mijn partner goed voor me is en stel hoge eisen aan mijn relatie. Ik vind mezelf belangrijk en ik ben ambitieus. Maar wat ik misschien aan mijn verleden heb overgehouden, is dat wanneer ik problemen heb of ik voel me niet goed, dat ik dan niet meteen op mensen afstap. Ik vind het moeilijk als anderen zich zorgen maken om mij. Ik heb eerder de neiging om problemen, soms zelfs voordat ze ontstaan, op te lossen. Ik ben aan het leren om dat niet te doen. Op mijn 18e vroeg iemand aan mij: ‘Heb je het gevoel dat je verantwoordelijk bent voor je moeder?’ Ik zei meteen: ‘Ja, natuurlijk.’ Hij zei: ‘Dat ben je niet.’ Ik zei: Je bent gek, natuurlijk wel.’ Nu kan ik vaker tegen mezelf zeggen: ‘Nee, Karin voor dit of dat ben je niet verantwoordelijk.’’’

Is er ruimte voor je pijn en verdriet?
“Ja, maar dat heb ik afgesloten en verwerkt. Als ik bijvoorbeeld terugdacht aan mijn jeugd had ik niet veel leuke herinneringen of een mooi gevoel bij iets. Daar was ik best lang verdrietig om. Daarna ontmoette ik mijn echte vader Eric en dat ging helemaal mis. Opnieuw was ik enorm bedroefd. Dat duurde een tijdje en toen was het klaar. Ik realiseerde me: hoe kan ik me voorbereiden op de dingen die gaan komen als ik in mijn verdriet blijf zitten? Als ik een kind krijg waarmee iets gebeurt, hoe moet ik dat doorstaan als ik niet eens mijn eigen lading heb verwerkt? Sinds die omslag is het verleden geen issue meer en kon ik ook dit boek schrijven.’’

Hoe reageerde je moeder op je boek?
“Ik heb haar zo’n twaalf keer geïnterviewd en ik merkte dat ze het fijn vond om over het verleden te praten. Ik heb expliciet gevraagd: ‘Vind je het niet erg dat ik ook over IJmuiden vertel?’ Maar ze vond het niet erg. Ze zei: ‘Je moet het gewoon doen.’’’

De Kaarten op Tafel. Waar ben je aan gehecht?
“Aan mijn huis en mijn eenzaamheid. Ik voel me op mijn best als ik alleen ben. Ik ga dan als het ware terug naar mezelf. Ik hou weliswaar van winkelen, muziek en uitgaan, maar ik word er ook onrustig van. Daarom heb ik weinig vrienden. Teveel mensen om me heen vind ik verschrikkelijk.’’

Welk wonder heb jij meegemaakt?
“Mijn dochter Sumi werd geboren en ik ervoer ineens dat ze een eigen ziel heeft. Ik had altijd gedacht dat ze een deel van mij zou zijn, en natuurlijk, lichamelijk is dat ook zo, maar ze is zo helemaal zichzelf. Ik wist ook niet dat daardoor de afstand tot je kind groot kan zijn.’’

Wat zou je anders willen zien aan jezelf?
“Ik ben tevreden, al zou ik minder driftig willen zijn. Zeker als het om mijn dochter gaat. Zij is de meest beleefde peuter en toch kan ik ineens snel geïrriteerd zijn.’’

Welke kant van jezelf zou je nog eens willen ontwikkelen?
“Ik ben een alfa mens en zou graag meer willen begrijpen van exacte wetenschappen. Inmiddels heb ik Het Helaal van Stephen Hawkins gelezen, de Einstein van dit moment. De dimensies van tijd, zwarte gaten enzovoorts, interesseren me. Het is een beetje filosofie natuurlijk, want wetenschappers weten niet zeker dat ze er zijn.’’

Wat typeert je vrienden?
“Ze zijn intelligent, zachtaardig en ambitieus.’’

Wat betekenen buren voor jou?
“Tot voor kort een last. Niet omdat ze vervelend waren, maar ik zat helemaal in mijn eigen wereld en herkende ze nooit, tot ergernis van henzelf. Dan krijg je het gevoel: ik móet vriendelijk zijn en ik móet ze beter leren kennen. Twee jaar geleden zijn we iets verderop gaan wonen en mijn vriend Jesse, die ontzettend sociaal is, zei: ‘Doe eens normaal en besteed aandacht aan de mensen die je elke dag op straat ziet.’ Nu betekenen mijn buren…eh…in elk geval geen last meer.’’

Welke eigenschap bewonder je in anderen?
“Intelligentie. Dat is voor mij vooral beseffen dat je nog zo weinig weet, dat je vragen blijft stellen, dat je geest blijft openstaan voor van alles.’’

Wat heb jij te geven aan de samenleving?
“Ik hoop dat mijn kind - en misschien straks kinderen - als een goed mens haar leven leidt en haar bijdrage levert aan de samenleving met de waarden en normen die ik overdraag. Bijvoorbeeld dat je altijd in staat moet zijn om je te verplaatsen in een ander. Of het nu gaat om asielzoekers of in het verkeer. Dat klinkt makkelijk maar als het er op aankomt, doen maar weinigen dat. Ha, inderdaad zoals ik bij mijn buren.’’

Wie is Jezus volgens jou?
“Een historische figuur met geweldig goede ideeën, die veel volgelingen heeft gecreëerd, maar niet de zoon van God is. Mijn moeder was van huis uit moslim, maar ze heeft daar niets van overgenomen. Hoewel mijn oom christen was en ik ooit een kinderbijbel heb gekregen, heb ik er niets mee gedaan. Ik geloof wel dat er een soort kracht is die ons allemaal verbindt, waarin het goede en het slechte in balans is. Naar die balans zijn we voortdurend op zoek. Ik denk dat ik goed leef, hoewel ik niet strikt leef naar wetten zoals die in de koran of de bijbel staan. Ach, misschien is mijn generatie wel te makkelijk. Zo van: weet ik veel of er een God is; ik doe mijn best en klaar.”

En als je niet gelooft dat er een God is, dan hoef je ook geen verantwoording af te leggen.
“Precies. Maar ik doe wel mijn best om goed te zijn voor anderen.’’

Als kind heb je veel verhalen over geesten gehoord, waar plaats je die dan?
“Ik denk in dimensies en wij maken deel uit van een andere dimensie dan waar geesten in verkeren. Ik geloof echter niet dat wij dat allemaal kunnen begrijpen.”

Wat geeft je positieve energie?
“Muziek, soul, hiphop en blues. Niet de rock ’n roll, maar de zielige, droeve, mijn-vrouw-heeft-mij-verlaten-en-ik-ga-aan-de-whisky-blues.”

Wat is je favoriete plekje thuis?
“Een grote bank met heel veel kussens. Dan liggen Sumi, Jesse en ik lekker naast elkaar liggen en lezen we boekjes.”

Tekst: Monique Roubos
Beeld: Peter Boer

De Ware Tijd, december 2006

vlag.jpg

Van boekenwurm tot auteur

Jong en mooi. Met haar sexy uiterlijk wekt zij beslist niet de indruk een boekenwurm te zijn, laat staan de capaciteit te bezitten de ene na de andere succesvolle roman te kunnen schrijven. En toch is de 29 jaar jonge Karin Amatmoekrim die op 25 december 1976 in Paramaribo het levenslicht zag, op het ogenblik de jongste succesvolle Surinaamse auteur.

door Afra Accord

In 2004 debuteerde Karin in Nederland met haar roman ‘Het knipperleven’. Deze werd enthousiast ontvangen door de pers. De vele lovende recensies zijn hier getuige van. Het boek onthult het verhaal van een jonge vrouw die via een bizarre vergissing ontdekt dat ze niet lang meer te leven heeft. De inspiratie voor dit verhaal, putte zij uit haar eigen leven.
Hoewel zij niet met het idee rondliep auteur te worden, kwam meteen na haar opleiding letterkunde te hebben afgerond, het eerste boek van haar hand.“Je ziet wel vaker dat mensen die letterkunde hebben gestudeerd, schrijver worden. Maar dat heeft denk ik meer met de mensen zelf te maken dan met de opleiding”, zegt Karin. In haar geval liep dat een beetje anders. Tijdens haar studie sloop een verhaal in haar hoofd, een verhaal dat haar maar niet los liet. “Als ik heel stil was, of als ik in de trein zat en een lange reis maakte kwam vanzelf een verhaal in mijn hoofd.” Dit verhaal begon zij toen op te schrijven in haar vrije tijd of als zij in de avond niet kon slapen. Stilletjes dacht zij wel dat het geweldig zou zijn als zij ooit een boek zou schrijven. Maar in haar stoutste dromen, verwachtte zij niet dat het verhaal dat door haar hoofd spookte zo snel een boek zou worden. “Ik ben heel praktisch, dacht alleen aan het afronden van mijn studie en daarvoor moest ik geld verdienen. Ik werkte dus heel hard en schreef ondertussen op allerlei papiertjes mijn verhaal en dacht het ooit eens af te maken.”

Eenmaal moeder, zou het niet afkomen

Karins leven nam echter een heel andere wending en haar eerste boek kwam eerder uit dan zij durfde dromen. “De dag waarop ik mijn scriptie inleverde, kwam ik erachter dat ik zwanger was. Ik schrok, omdat ik het niet verwachte.” Toen zij twee dagen later van de schrik bekomen was, schoot het verhaal haar te binnen. “Het was best een duister en somber verhaal en ik dacht, straks heb ik een kind, en krijg ik het boek nooit af. Dus beter maak ik het af voor het kind er is.”
Omdat zij toen nog niet wist dat zij schrijftalent bezat en het risico niet wilde nemen een boek voor niets te schrijven, stuurde zij haar script naar een uitgeverij en kreeg meteen een contract aangeboden. Reden genoeg dus om verder aan ‘Het knipperleven’ te schrijven. Een andere keus heb je eigenlijk niet als een verhaal je gedachten heeft overmeesterd. “Je moet het gewoon afmaken, want als je eenmaal begonnen bent gaan die personages leven en moet je het echt afmaken, anders gaat het verhaal niet weg”, weet de auteur.

Eenzaamheid
Zo schreef zij het verhaal van een jonge vrouw in Amsterdam die als zij ontdekt dat zij kanker heeft, besluit het aan niemand te zeggen. Het boek gaat over hoe mensen geen contact met elkaar kunnen maken. “Als je het mij vraag gaat het eigenlijk over eenzaamheid.” Het verhaal is verzonnen, maar het thema is heel dichtbij Karin zelf. “Daarin is het heel autobiografisch, maar dan met verzonnen personages.” Schrijven over je eigen gevoel is zeker niet makkelijk, maar de schrijfster zegt zichzelf goed te kennen en het niet eng te vinden haar emoties op papier te zetten en te delen met anderen. “Maar het maakt je wel verdrietig, als je terug gaat naar dingen waar je vroeger niet zo blij mee was.” Lezers die Karin persoonlijk kennen hebben het boek als heftig ervaren en zich afgevraagd als de schrijfster wel gelukkig is. Het gevolg van de buitenwereld een kijkje in je ziel geven.
Ook haar tweede boek, ‘Wanneer wij samen zijn’ dat in september 2006 uitkwam maakte veel emoties los. Want ook met dit boek heeft zij een persoonlijke band, omdat deze generatieroman gebaseerd is op Amatmoekrims familiegeschiedenis.“Ik maakte mij een beetje zorgen over mijn moeder, omdat vreemden ineens heel diep in haar leven een kijkje kunnen nemen door mijn boek. Ook zij vond het een beetje eng, maar zij is erg trots op me”, vertelt Karin.

Een typisch Surinaams verhaal
‘Wanneer wij samen zijn’ is het verhaal van drie generaties van een Javaanse familie in Suriname en Nederland, vol vloeken en betoveringen, en oude en nieuwe werelden die met elkaar botsen. Een verhaal over armoede, verdriet en liefde, maar vooral over een familie die van niets in de wereld zeker is, behalve van elkaar.
Het boek is zeker het lezen waard en voert je terug in de tijd kort na de Javaanse immigratie. Een stukje geschiedenis en een beetje inzicht in de Javaanse gewoonten en gebruiken. Een typisch Surinaams verhaal, dat voor Nederlandse lezers een wereld opent. “Nederlanders zijn veel individualistischer in vergelijking met Surinamers. En in het boek komt de hechte band die Surinaamse families met elkaar hebben goed tot uiting. Een gegeven dat voor hen vreemd is en voor ons Surinamers normaal.”
Hoewel Karin op haar vijfde naar Nederland vertrok ziet zij Suriname als haar thuis. “Ik woon in Nederland en voel mij daar prettig, maar als ik in Suriname ben heb ik wel een raar gevoel thuis en gelukkig te zijn. Maar thuis ben je ook niet in Suriname, omdat Surinamers mij als Nederlander zien en in Nederlanders mij als Surinamer.”

De neger hut van oom Tom
Hoe zij aan haar schrijftalent komt, is voor de schrijfster een raadsel. Maar dat zij er goed in is zal wel komen door haar liefde voor taal. “Ik ben echt een dikke nerd hoor”. Vanaf zij kon lezen, is zij gek op lezen. Vroeger waren boeken duur, dus zelf kopen ging niet. Daarom ging zij naar de bibliotheek en had op haar tiende alle boeken op de kinderafdeling gelezen en vroeg daarom de boeken van de grote mensen afdeling te lezen. ‘De neger hut van oom Tom’ leek haar een leuke titel en werd op haar tiende het eerste boek voor volwassenen dat zij las. Ook de boeken die zij thuis hadden las zij keer op keer zonder ervan te vervelen.
Het thema voor haar derde boek is haar hoofd al binnen geslopen, maar nog een verassing. Haar grootse uitdaging is het schrijven van een boek waar zij totaal niets over weet. Nu zij zelf schrijver is, merkt zij dat boeken schrijven niet eenvoudig is. Naarmate je ouder wordt, word je wijzer en schrijf je beter. “Als popzangeres weet je dat hoe ouder je wordt hoe moeilijker het wordt je beroep uit te oefenen, terwijl bij een schrijver het omgekeerde het geval is. Ik kijk uit naar mijn ouderdom.”

Contrast, november 2006

contrast-martinesprangers.jpg

Tekst: Katje Kreukels

Beeld: Martine Sprangers

KARIN AMATMOEKRIM

‘Ze schrijft precies, direct en dwingend’, zo loofde Vrij Nederland haar literaire debuut. De 29-jarige Surinaamse schrijfster Karin Amatmoekrim zette zichzelf in 2004 op de kaart en schreef door aan een Surinaams-Javaanse familiegeschiedenis. Wanneer wij samen zijn is net een paar weken uit en nu al in tweede druk.

Geboren talent?

Ik zat in de trein naar Frankrijk, verveelde me en begon te tikken op de laptop. Zo ontstond mijn eerste boek. Eigenlijk heel spontaan. Zo’n PING-moment en het verhaal vertelde zichzelf, de taal vloeide eruit. Daarvoor zag ik mezelf nooit als schrijver. Ik droomde van een carriere in de reclamewereld met een lease-auto en mantelpakjes. Maar op een gegeven moment wist ik: mijn hele leven gebakken lucht verkopen is niet wat ik wil; liever boeken met inhoud.

Helden?

Toni Morrison vind ik bizar goed. José Saramago is een gigantisch sterke tekstschrijver en Salman Rushdie heeft zo veel fantasie. Elk hoofdstuk is bijna een boek. Het zijn alle drie complexe, maar aantrekkelijke schrijvers. Ik vind dat je moeite voor boeken moet doen.

Hoogtepunt?

Het klinkt cliché, maar dat is toch de geboorte van mijn dochter Sumi in april 2004.

Hoe trek je de aandacht?

In mijn laatste boek is de kracht van de verbeelding heel groot. Ik beschrijf het verhaal vanuit mijn opa, mijn moeder en mijzelf. Oude en nieuwe werelden. Het begint heel dromerig en magisch en eindigt in fantasieloos IJmuiden, waar ik ben opgegroeid. De verbeelding zit ook in de taal. Ik heb geprobeerd krachtige zinnen te schrijven die dwingen tot stilstand.

Nederland?

Patat. Surinamers noemen Nederland ook aardappelland. P’tata kondre.

Ook heel goed in?

Ik ben een megatalent in shoppen.

Favoriete CD?

Op dit moment luister ik vaak naar Genius Loves Company, van Ray Charles.

Colorfull Magazine, november 2006

met-sumi.jpg

Interview: Ingka van Fulpen. Fotografie: Hermien Lam

Meeslepend en indrukwekkend: drie generaties die, ondanks armoede en verdriet, de kracht van hun familieband niet verliezen.

‘Achteraf heb ik nooit gedacht: had ik maar een leukere jeugd gehad.’

Karin Amatmoekrim (29) is een jonge, talentvolle schrijfster. Na haar veelbelovende debuut Het knipperleven volgt het autobiografische boek Wanneer wij samen zijn. Colorfull Magazine sprak met deze vrouw die meer heeft meegemaakt dan menig leeftijdsgenoot. Karin: “Ik heb lang niet alles verteld in Wanneer wij samen zijn. Het zou ongeloofwaardig overkomen. Zelfs als mijn verhaal in een soap op tv te zien zou zijn, zouden mensen zeggen: dat kan toch allemaal niet?’”

Haar eerste boek
Het knipperleven kwam uit in 2004. Het gaat over een jonge vrouw die druk is met haar studie, werk en vrienden. Maar dan wordt ze ziek en duwt iedereen die haar wil helpen van zich af. Het thema van het boek is eenzaamheid. Ook in het leven van Karin speelt dit thema een grote rol. “Iedereen kent eenzaamheid. Ik heb dat gevoel altijd verwelkomd. Het is voor mij een zekerheid. Als ik dat niet heb, zou ik bang zijn om alleen te zijn of in de steek gelaten te worden. Natuurlijk zou ik ontzettend balen als mijn partner me zou verlaten en zou ik me vreselijk verdrietig voelen, maar ik weet dat ik er uiteindelijk weer bovenop kom. Het schrikt mensen af als ik zeg dat ik de eenzaamheid omarm. Ze denken dat eenzaamheid per definitie betekent dat je ongelukkig bent, maar zo zie ik dat niet. In dit boek wilde ik uitleggen hoe iemand als ik, een levenslustige vrouw, toch die gevoelens kan hebben. Voor de buitenwereld is dat vaak onbegrijpelijk, maar ook logisch omdat zij mijn gedachten en gevoelens niet kunnen zien. Mensen om mij heen maakten zich zorgen om me nadat ze het boek gelezen hadden. Dachten dat ik in een depressie zat, maar dat duistere, dat rauwe, dat is ook een deel van mij.”

Haar tweede boek
Twee jaar later rondt Karin haar tweede boek af: Wanneer wij samen zijn. Het gaat over haar Javaanse/Surinaamse familie. Een verhaal over armoede, verdriet en liefde, maar vooral over een familie die van niets in de wereld zeker is, behalve van elkaar.
“Wanneer wij samen zijn is meer autobiografisch dan het eerste boek. Het is grotendeels gebaseerd op onze familiegeschiedenis, hoewel ik ook veel heb verzonnen.
Ik heb dit boek voor mijn familie geschreven. We hebben te maken gehad met tegenslagen, maar wij zijn als familie sterk gebleven en dat bewonder ik. Hiermee laat ik zien: het is goed zo. Dit was het en ik heb er vrede mee.
Het eerste deel gaat over mijn Javaanse grootouders in het kleine dorpje Tambaredjo in Suriname. Mijn oma, Soemi, was tegen haar zin uitgehuwelijkt aan een oudere man, maar loopt na de voltrekking weg met de voor haar onbekende Wagiman. Een gok die goed uitpakt. Samen bouwen ze een leven op. Ze zijn arm, maar gelukkig en krijgen tien kinderen. Het tweede deel gaat over mijn moeder Soeratijem. Zij is het op een na jongste kind van Wagiman en Soemi. Als Soemi overlijdt worden de kinderen verdeeld over de oudere broers en zussen, want Wagiman kan niet alleen voor de kinderen zorgen. Mijn moeder is dan een jaar of zeven. In één klap raakt zij haar moeder en eigenlijk ook haar vader kwijt en wordt uit haar vertrouwde omgeving gerukt. De versplintering van de familie begint daar. Mijn moeder groeit op bij een oudere zus in Paramaribo. Ze leert mijn vader kennen en raakt zwanger. Hun relatie houdt geen stand en daarna wordt ze gekoppeld aan een Hollander en vertrekt naar Nederland. Het derde deel gaat over mezelf. Ik emigreerde met mijn moeder, mijn halfbroertje en mijn stiefvader naar Nederland toen ik vijf jaar was. We kwamen terecht in IJmuiden, waar ik ben opgegroeid. Het mooie van het verhaal is dat wat er ook gebeurt, de familieband altijd blijft. Dat heb ik zo ondervonden. Mijn moeder, broertje en zusjes zijn altijd mijn basis.”

Haar jeugd
Karin groeit op in een zwarte achterstandswijk met voornamelijk Turken en Surinamers. Haar moeder zit in de bijstand. Tot haar 16dewoont ze in IJmuiden, daarna verhuizen ze naar Haarlem. “In IJmuiden moesten we met z’n vieren van 1200 gulden per maand rondkomen.Aan het eind van de maand konden we dagenlang geen boodschappen doen. Soms werden we afgesloten van elektra of stond er een deurwaarder op de stoep.Ik heb geen zorgeloze jeugd gehad. Als kind was het me duidelijk: ik moest ervoor zorgen dat het in mijn hoofd goed zat om het redden. IJmuiden vond ik vreselijk. Onze wijk was een getto; er waren zelfs schietpartijen. Een van de flats werd de ‘sterfflat’ genoemd; er sprongen voortdurend mensen vanaf. Als kind weet je niet beter en maak je er geintjes over, maar het was een trieste tijd. Vooral de houding van de Nederlanders vond ik erg. IJmuiden was erg racistisch. Toch deed het me niet zoveel. Als puber keek ik neer op die domme kinderen, ze wisten niet waar ze het over hadden. In sommige situaties maakte ik me wel kwaad. Toen ik op de middelbare school kwam, werd ik een keer uitgenodigd op een verjaardag van een klasgenootje. Haar ouders waren zoiets als rechter en arts. Een groot contrast met mijn alleenstaande moeder in de bijstand. Toen ik binnenkwam zette die moeder mij pontificaal in het midden van de woonkamer en zei: ‘Dit is Karin, ze komt uit Suriname en doet toch het gymnasium.’ De reacties waren: ‘Goh, meisje, wat goed van jou.’ Ik werd zo kwaad; alsof een donker meisje niet goed zou kunnen leren!
Toen ik naar het gymnasium ging, was dat een klap in het gezicht van de IJmuidense gemeenschap. Hoe durfde mijn moeder mij naar zo’n school te sturen terwijl iedereen naar het lbo of mavo ging? Ons huis werd onder geklad met: ‘nepkakker’ en ‘stuudje, ga terug naar je land’. Dat was voor mij de druppel. Jarenlang had ik met die kinderen gespeeld en omdat ik naar het gymnasium ging, keerden ze me de rug toe. Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar zo ging dat. Gelukkig heb ik ook leuke herinneringen. Ik zat in de eerste klas van het gymnasium en stapte na de voorjaarsvakantie nietsvermoedend de klas binnen. Ik zag mijn klasgenoten en schrok me kapot! Bijna alle kinderen hadden een bruin gezicht met om hun ogen twee witte plekken. Wat was er gebeurd? Ze waren op wintersport geweest. Ik kende het hele fenomeen van wintersport niet eens. Ik moet er nog steeds om lachen als ik eraan denk.
Achteraf heb ik nooit gedacht: had ik maar een leukere jeugd gehad. Ik ben blij met wat ik heb meegemaakt. Mijn jeugd heeft me sterker gemaakt.”

Haar moeder
Karin’s moeder heeft in haar jonge jaren geen geluk in de liefde. Haar relaties met de vader van Karin en met de vader van haar zoontje en dochtertje lopen op niets uit. Haar derde partner blijkt gelukkig de liefde van haar leven. Met hem krijgt ze nog twee dochters.
“Surinamers hoef ik niets uit te leggen over mijn halfbroertje en –zusjes, die begrijpen het wel. Nederlanders snappen soms niet hoe het zit. Voor mij maakt het niets uit: ik zie ze allemaal als mijn vlees en bloed. Mijn moeder is heel lief, zachtaardig en super gastvrij. Ze heeft zo’n goed hart, ze zou haar laatste cent nog weggeven. We praten over alles, zoals boeken en politiek. Zij heeft altijd gewild dat haar kinderen het beter doen in het leven dan zij. Dat heeft ze me ook altijd voorgehouden, tot het irritante aan toe, haha. Vanaf het moment dat zij ons alleen kon laten, heeft ze zich laten omscholen en is ze gaan werken. Nu heeft zij een goede baan en is gelukkig met haar man. Alle ellende is achter de rug en ze is in een rustig vaarwater gekomen. Uiteindelijk heeft iedereen in onze familie z’n eigen weg gevonden.”

Haar vader
Na de scheiding blijft Karin’s vader in Suriname en het contact wordt verbroken. Karin ontmoet hem voor het eerst als ze twintig jaar is.
“Hij is de tegenpool van mijn moeder. Het is een mooie man en erg populair; een echte ladykiller. Tot mijn elfde wist ik niet dat hij mijn vader was. Ik dacht dat mijn stiefvader dat was, want ik had zijn achternaam. Dat ik totaal niet op hem leek, zag ik als meisje niet. Hij was een lange, blonde Hollander. Mijn stiefvader maakte ons het leven zuur en gelukkig scheidde mijn moeder van hem. Dus toen mijn moeder vertelde dat hij niet mijn echte vader was, was ik alleen maar opgelucht. Mijn biologische vader wilde ik toen nog niet ontmoeten. Rond mijn achttiende kreeg ik een brief van hem en daarna heb ik hem voor het eerst ontmoet. Ik wilde hem leren kennen, maar hij hoefde geen vader te zijn. De ‘vader’ die ik kende, had het verpest en ik had geen behoefte aan een nieuwe, nog steeds niet. Ik heb genoeg aan mijn moeder.”

Haar naam
“Ik heb mijn moeders achternaam. Mijn opa heeft die naam verzonnen en niemand weet wat het betekent. Dat vind ik wel jammer. Moslims nemen de voornaam van de vader als achternaam. Maar volgens Nederlandse regels kon dat niet. Dus toen er een bevolkingsregister werd opgezet en mijn opa zich moest aangeven, verzon hij deze naam. We zijn misschien wel de enige familie Amatmoekrim ter wereld en ik ben er trots op.”

Haar thuis
“Ik houd van Suriname en van Nederland. Ik heb het grootste deel van mijn leven hier gewoond, maar toch voel ik me niet honderd procent thuis. Maar dat voel ik me in Suriname ook niet. Als ik daar uit het vliegtuig stap, de warmte op mijn huid voel en de bomen ruik, ben ik zielsgelukkig. Maar na een paar weken wil ik weer weg. Hun trage manier van leven ben ik niet gewend, ik zou daar niet kunnen wonen. Het is moeilijk uit te leggen. Ik zie mijn gezin als mijn thuis.”

Haar moederschap
Het leven van de oma en moeder van Karin wordt gekenmerkt door vele tragedies. Oma Soemi krijgt een miskraam en moet noodgedwongen haar baby afstaan. Karin’s moeder verliest haar moeder als ze zeven jaar is. Dat Karin zelf moeder is, maakt het voor haar mogelijk zich nog beter in te leven in hun gevoelens.
“Sommige gebeurtenissen kon ik inderdaad beter verwoorden. Je moeder verliezen, een miskraam krijgen, een kind moeten afstaan: het zijn vreselijke drama’s. Als ik tijdens het schrijven dacht aan het idee dat er iets met mijn dochter zou gebeuren, werd ik al gek van emoties. Die kon ik weer gebruiken voor mijn boek.
Mijn dochter krijgt een heel andere jeugd dan ik. Het lijkt alsof het heel ver van mij afstaat omdat ik zo totaal anders ben opgegroeid. Hopelijk kan ik haar alles geven wat ze nodig heeft. Ik wil van haar een sterke, intelligente vrouw maken en hoop dat ze ook eigenschappen van mijn vriend meeneemt. Hij is heel sportief en een stuk stoerder dan ik. Het belangrijkste is dat ze uiteindelijk tevreden met zichzelf is.”

Haar werk
“Schrijven is een verdieping van mezelf. Het dwingt me om na te denken over hoe ik iets wil zeggen en het houdt me scherp. Tijdens het schrijven raak ik wel eens gefrustreerd omdat het zo moeilijk is. Met het tweede boek heb ik gemerkt dat schrijven gewoon werk is. Je moet discipline ontwikkelen. Als het een dag niet lekker gaat, lees ik andere boeken om inspiratie op te doen. Ik werk het liefst met mijn laptop in een café, want ik ben graag onder de mensen. Dan zet ik mijn iPod op. Muziek brengt me in een bepaalde stemming en het helpt me om los te komen van de dagelijkse routine. En als ik tijdens het schrijven emotioneel werd omdat sommige gebeurtenissen te heftig waren, zette ik gangsterrap op om weer een beetje bij te komen, haha. Vooral het gedeelte over mijn jeugd maakte veel los. Ik moest leren om afstand te nemen om het te kunnen schrijven, want het deed nog steeds pijn. Maar door ook de vervelende dingen op te schrijven, heb ik alles goed kunnen afsluiten.”

Karin Amatmoekrim is 29 jaar en woont samen met Jesse (30) in Amsterdam. Samen hebben ze een dochtertje: Sumi van tweeënhalf jaar. Karin is geboren op 25 december 1976 in Paramaribo en in 1981 is ze met haar moeder en broertje naar Nederland geëmigreerd. Na het gymnasium voltooide ze de universitaire studie Moderne Letterkunde.
Haar eerste boek Het knipperleven kwam uit in 2004 en vanaf 12 september 2006 ligt haar tweede boek, Wanneer wij samen zijn, in de winkel.

SEN Magazine

radioboeken-brussel.JPG

Auteur Karin Amatmoekrim;

‘Ik ben ontzettend op mezelf. Als ik te vaak onder de mensen ben, heb ik het gevoel mezelf kwijt te raken. Ik kan erg genieten van gewoon thuis zijn. Naar vrienden en familie ben ik heel loyaal, soms een beetje teveel zelfs. Tegelijkertijd ben ik gedreven en weet ik altijd wat ik wil.’

Karin werd in 1976 geboren in Paramaribo, Suriname. In
1981 emigreerde ze naar Nederland, sinds 1999 woont ze in Amsterdam.
Ze studeerde moderne letterkunde aan de UvA en debuteerde met Het
knipperleven.

Uit wat voor gezin kom je?
Ik groeide op in een eenouder gezin; moeder, jonger broertje en zusje. Mijn moeder werkte; zelfstandigheid stond altijd hoog in het vaandel. Toen ik zestien was trouwde mijn moeder met mijn stiefvader; ik kreeg daardoor nog twee kleine zusjes met wie ik 16 en 19 jaar in leeftijd verschil.

Je bent op jonge leeftijd geëmigreerd van Suriname naar
Nederland. Heb je die periode bewust meegemaakt en kun je je nog
herinneren wat jou heel erg opviel?
Ik heb de overgang niet heel levendig meegemaakt. Wel weet ik nog dat het koud was en dat het buiten altijd wel donker leek.

Wanneer wist je dat je wilde gaan schrijven en wat was de aanleiding
om het te doen?
Tijdens mijn studie Letterkunde speelde ik met een idee voor een verhaal. Toen ik eindelijk eens de tijd nam om het op te schrijven, vloeide het er gewoon uit. Dat is mijn eerste boek ‘Het knipperleven’ geworden, dat in 2004 werd gepubliceerd.

Hoe ziet jouw leven er (nu) uit als schrijfster?
Ik ben nog meer op mezelf dan normaal. Ik heb natuurlijk geen collega’s zoals bij een ‘gewone’ baan, dus ik ben het grootste deel van mijn werkende tijd alleen. Daadwerkelijk schrijven doe ik misschien de helft van mijn tijd. Verder is het; veel nadenken, boeken lezen, muziek luisteren, naar mensen kijken. Dat zijn dingen waar ik inspiratie uit haal.

Je hebt een tijdje psychologie gestudeerd. Gebruik je dit voor je boeken?
Ik geloof dat je alles wat je tegenkomt, op de een of andere manier gebruikt. De studie psychologie heeft me nog meer doen inzien dat de mens ongelooflijk complex is.

Waar put jij je inspiratie uit?
Mensen. Mensen en hun zoektocht, hoe ze proberen betekenis aan hun leven te geven.

Wat is jouw drijfveer?
Ik weet het eigenlijk niet. Ik wil gewoon verhalen vertellen. Of misschien wil ik mensen zich dingen laten afvragen, lezers even stil laten staan bij zaken waar ze anders snel aan voorbij gaan.

Welke boodschap ligt er verborgen in jouw boek(en)?
Elke lezer moet zijn eigen boodschap uit een boek halen. Mijn werk is gedaan; het boek is klaar. Daarna is het aan de lezer om eruit te halen wat hij erin wil zien.

Zijn jouw boeken gebaseerd op fictie of non-fictie?
Alle boeken zijn ergens gebaseerd op de werkelijkheid van de schrijver. Ik denk en besta in de wereld om me heen. Die wereld kan ik in mijn teksten nooit helemaal buitensluiten.