Buurman Schrijver

2008

Ik schrijf nu alweer een jaar aan een nieuwe roman. Hier volgt een fragment uit het manuscript. Beeld is een detail van het doek ‘An Aerial View of a City that Doesn’t Exist’ van Bob Gibson, dat de muur in mijn woonkamer siert. Het past wonderwel bij het onderstaande fragment.

bgibson-kln.jpg

Buurman Schrijver was een vrolijke en humoristische man. Dat wil zeggen; tot hij zijn grappen verloor, ergens tussen 1984 en 1986, hij wist niet precies wanneer het was gebeurd. Met zijn grappen, verdween ook zijn goede humeur en sindsdien was hij een uitgesproken nors persoon. Bovendien werd hij uiterst wantrouwig, daar hij altijd op zijn hoede was weer iets te verliezen dat hem eigen was. Deze norse, wantrouwige man trok op een regenachtige dag, zoals er zoveel zijn in een stad als deze, juist de deur achter zich dicht toen hij bedacht dat hij een paraplu mee had moeten nemen. Hij bleef staan, zijn armen slap langs het versleten corduroy van zijn broek, en nam een moment of twee om te beslissen wat hij moest doen. Uiteindelijk stak hij zijn handen in zijn zakken en liep de trap af naar de uitgang van het appartementencomplex. Eenmaal op de stoep voor het gebouw constateerde hij, overigens zonder enige tevredenheid, dat een paraplu nutteloos zou zijn geweest tegen de harde wind die hem met vlagen regen om de oren sloeg. Hij trok zijn hoed diep over zijn ogen en begon vastberaden aan de wandeling naar het nabijgelegen grand café, en ik kan u nu al verklappen dat hij daar een espresso en een grappa zou bestellen. Buurman Schrijver was namelijk een man van gewoonte.

In het grand café stond de ober al uit te kijken naar zijn vaste klant. Toen hij deze de hoek van de straat om zag komen, hield hij de deur voor hem open en zei met een zachte, maar duidelijke stem; ‘Goedemorgen meneer Kuijpers. Ik heb de krant al op uw tafel gelegd. Zal ik uw jas even aannemen?’ Buurman Schrijver knikte en bedacht, zoals elke ochtend, dat hij de manieren van het personeel in dit etablissement toch erg waardeerde. Hij nam plaats aan het kleine vierkante tafeltje dat uitkeek op de straat en sloeg zonder aarzelen de krant open. De ober zette zijn koffie en een klein glaasje grappa voor hem neer en vertrok geruisloos. Buurman Schrijver las het nieuws. De ober poetste de glazen achter de bar eens extra op. Oude, trage Motown vulde het Grand Café. Het geluid van de regen buiten viel de muziek bij. Op de stamgast in de hoek, achter zijn krant na, bleef het café leeg. De ober bekeek zijn glazen en knikte goedkeurend. Juist toen deze, tevreden met zijn werk en het kalme, voorspelbare begin van zijn dag, bij zichzelf dacht; ‘Dit is toch wat de mens zoekt. Rust,’ zwol er een sirene aan tot oorverdovende proporties, verdrong de Motown en deed de twee mannen verschrikt opkijken van hun bezigheid. In een karavaan van geluid flitste er, heel kort, een ambulance voorbij. Twee politieauto’s volgden onmiddellijk, iets minder snel. De ober, bekomen van die eerste schrik, schudde geïrriteerd zijn hoofd. Buurman Schrijver vouwde zijn krant dicht en stond gehaast op. De ober snelde toe met zijn jas, terwijl zijn klant al bij de deur stond, de klink in de hand. ‘Uw jas, meneer.’ ‘Ja, natuurlijk. Bedankt.’ Hij pakte zijn jas en trok deze al lopend aan, terwijl hij zich naar het geluid van de sirenes haastte. De ober keek hem na, even maar, meer uit gewoonte dan uit nieuwsgierigheid, en begon daarna het tafeltje leeg te ruimen.
Hij had het mis, de ober. Mensen zoeken geen rust, in elk geval Buurman Schrijver niet. Wat hij wel zocht, was niet helemaal duidelijk, maar hij dacht het in elk geval in chaos te vinden.

Andere posts...