Buurman Schrijver – deel twee

2008

Deel twee van het fragment over Buurman Schrijver – een personage in het boek waarmee ik nu bezig ben. Volgens mijn zojuist getekende contract met Prometheus komt dat boek in het najaar uit… Ik zeg: beter begin je te schrijven, Karin.

1.jpg

(Beeld: Bob Gibson)

Buurman Schrijver hield zijn ogen onafgebroken gericht op het punt waar hij de politiewagens de hoek om had zien gaan. Hij liep zo snel als zijn stramme benen hem konden dragen, en toen hij eenmaal op de plek was waar alle sirenes samenkwamen, hadden zich er al tientallen mensen verzameld. Hij schaamde zich niet voor zijn nieuwsgierigheid. Het was op dit soort plekken, waar een ongelukkig toeval, of was het een toevallig ongeluk, de kwetsbare laag van de beschaving had doorboord en waar zich in kleine, soms grotere, scheurtjes het lelijke gezicht van de chaos zich toonde. Hij was er ooit mee begonnen ernaar op zoek te gaan en bleek er een talent voor te hebben; hij herkende dat gezicht op veel plekken in zijn stad. Sindsdien schreef hij boeken. Boeken waaraan hij veel te danken had (zijn geld, zijn huis, zijn aanzien – hoewel hij om dat laatste niets gaf, klatergoud van vriendelijkheid had hem nooit kunnen bekoren), en boeken waar hij desondanks niks om gaf. Als ze eenmaal geschreven waren, kotste hij ze uit; hier is het, doe ermee wat je wil, en keek hij er niet meer naar om. Het enige dat hem interesseerde, waren de plekken waar vrede en veiligheid op de helling stonden, clownesk met de armen zwaaiden in een poging het evenwicht te bewaren, alsnog omvielen omdat het ongeluk aan het langste eind had getrokken, of het meeste gewicht in de schaal legde – het is maar hoe je het bekijkt. Hij hoopte het ook hier weer te vinden. Dus baande hij zich ongegeneerd een weg door de toeschouwers heen, tot hij vooraan stond, met niemand tussen hem en een kleine vrachtwagen in dan een figuur die bewegingsloos op de grond lag en vier ziekenbroeders die daaroverheen gebogen zaten. Om hem heen werd het ongeluk voor iedereen die zich bij de kijkers had gevoegd, opnieuw uit de doeken gedaan. Zo hoorde Buurman Schrijver dat de figuur een vrouw was die door de vrachtwagen was aangereden. De bestuurder werd aangewezen; een man van middelbare leeftijd, die in alles voldeed aan een standaardbeeld van een vrachtwagenchauffeur, en die we daarom nu ook niet hoeven te beschrijven. Wat wel de moeite van het weten is, niet in de laatste plaats voor Buurman Schrijver, is hoe krijtwit het gezicht van de man was. Schrik was omgeslagen in wanhoop, en dat is – na woede – wellicht de lelijkste emotie die een gezicht kan tonen.

Wanhoop is ongepolijst en vloekt net zoveel met een gestroomlijnde samenleving als een kameel in een woonkamer; als je ermee oog in oog staat, weet je niet wat je ermee aan moet.
Toen de ziekenbroeders een wit laken over de vrouw heentrokken, ook over haar gezicht, besefte de chauffeur dat hij iemand had gedood. Hij draaide zich om en begon over te geven.
Een mens kan zich niet makkelijk ongelukkiger voelen dan de chauffeur op dat moment. Zijn publiek was hem desalniettemin niet vergevingsgezind en ze bleven misprijzend naar hem kijken, hier en daar met priemende wijsvingers en hardop uitgesproken oordeel. Buurman Schrijver sloeg het met een onbewogen gezicht gade, onopgemerkt als altijd temidden van de wanorde waarin hij zich het meest op zijn gemak voelde.

Toen viel hem een vrouw op.
Ze stond tussen twee geparkeerde auto’s in, een stukje van de rest van het publiek af. Een grote, donkere zonnebril verborg bijna de helft van haar gezicht en gaf haar de allure van een oude, Italiaanse filmster. Ze droeg haar haar in een knot, laag en dik in haar nek, met een paar plukken die nonchalant langs haar gezicht vielen. Maar er was iets, iets waardoor hij naar haar toegetrokken werd.

Andere posts...