Cola Debrot Lezing

2015

Op zaterdag 31 oktober gaf ik de Cola Debrot Lezing tijdens de Nacht van de Geschiedenis in de prachtige bibliotheek van het Rijksmuseum. De Werkgroep Caribische Letteren plaatste de lezing onlangs op haar site. U kunt hem ook hieronder lezen.

ENGLISH

My Cola Debrot-Lecture issued the topics of literature in a changing world, postcolonial readings versus modern takes on western culture, afropolitan movements and hybride poetics. The lecture was held during the night of history in the Rijksmuseum and will be translated soon. You’ll find the Dutch text below.

 

LOS VAN ALLES, MET ALLES VERBONDEN

SCHRIJVERSCHAP ALS SUPERIDENTITEIT

Karin Amatmoekrim

Cola Debrot Lezing 2015

31 oktober 2015 – Rijksmuseum Amsterdam

 

 

Het thema van de nacht van de geschiedenis is ‘tussen droom en daad’. Ik begrijp uit de email van de organisatie dat andere sprekers vandaag over Ghandi, Dolle Mina’s, het ANC en allerhande terreurdaden zullen spreken. In dat licht wordt mij de vraag gesteld wat ik doe om mijn idealen te bereiken.

 

Ergens, niet zo heel diep verborgen in deze vraag, schuilt de aanname dat ik iets relevants te zeggen heb over politiek en samenleving. En dat stelt mij voor een probleem. Of moet ik zeggen; een gewetensvraag. Want in hoeverre wil ik als schrijver betrokken worden bij het debat over samenleving, racisme, politiek? Als persoon heb ik een mening. Als schrijver ligt het gecompliceerder. De wereld van de literatuur is niet eenduidig; het is een werkelijkheid die even echt als gemaakt is, even zwart als wit. Ik word gevraagd positie in te nemen, terwijl de waarheid is dat mijn positie voortdurend wisselt. Dat verschuivende perspectief is misschien te danken aan een vloeibare, zich constant opnieuw vormende identiteit.

 

Ik schreef onlangs een essay over het gebrek aan kleur in het literaire veld. Wat ik stelde sloot min of meer aan op wat er ongeveer gelijktijdig werd gezegd en geschreven over andere kunstdisciplines. Door een paar uitstekende Nederlandse, zwarte acteurs werd ik gewezen op de Amerikaanse actrice Viola Davis. Zij stelde in haar dankwoord bij het winnen van een Emmy Award dat zwarte actrices geen prijzen kunnen winnen voor rollen die ze niet krijgen. De kunstenaar Michael Tedja merkte in een stuk in Hollands Diep op dat zijn zwart zijn bepalender was voor de interpretatie van zijn werk dan het was voor hem als kunstenaar. De Nederlandse rapper Fresku ontketende een storm aan kritiek toen hij stelde dat de Nederlandse radio bijna geen zwarte artiesten draait. Ondertussen toonde Timo Koren in een onlangs verschenen doctoraal onderzoek aan dat de letteren wel degelijk wit zijn, en dat dit komt door de selectie aan de poort.

Genoeg onderbouwing voor mijn punt, dus. Dat is ook niet het probleem. Ingewikkelder werd het toen ik besefte dat ik me niet kon vinden in de kritiek die het stuk kreeg, noch in de interpretatie ervan door mensen die mijn mening deelden. Wat de criticasters en de medestanders met elkaar gemeen hadden, was een interpretatie van mijn stuk als een wij versus zij-standpunt.

 

Het probleem is; een dergelijke interpretatie vereist een zekere mate van groepsdenken. Maar ik  denk niet in een groep, want ik beweeg niet in een groep. Ik ben een schrijver, en als dusdanig behoef ik niets wat riekt naar  gemeenschappelijkheid. Ik wil schrijven, en daar heb ik geen gezelschap bij nodig.

 

Kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Een veelgebruikt citaat van oer-Hollandse bodem waarin elke schrijver zich zal herkennen. De idee van de schrijver als extreme individualist. Ik wil verdwijnen in mijn werk. Sterker nog – ik weet niet eens wie ik echt ben buiten de schijnmuren van mijn werk. De boeken die zand strooien in de ogen van de ander. Wie zien ze als dat wegvalt? Ik heb geen idee. Sterker nog; ik heb er geen interesse in.

 

Jaren geleden had ik een lang en intens gesprek met Anil Ramdas. Het was tijdens de opkomst van Geert Wilders. Anil vroeg mij wat ik zou doen als het land echt in handen zou komen van rechtse populisten. Ik hoefde niet eens na te denken over mijn antwoord. Ik zou vertrekken, zei ik. Waarheen, dat maakte niet uit. Schrijven kan ik immers overal. Anil schrok van het antwoord, verbijsterd door het gebrek aan betrokkenheid dat ik ermee aan de dag legde.

 

Ik heb daar veel over nagedacht. Nee, ik ben misschien niet erg betrokken. Ik sta het liefst overal een beetje buiten. Wie meedoet, heeft immers te weinig afstand om te zien wat er gebeurt. Ook al schreef ik een essay met als titel ‘De ondraaglijke witheid van de Nederlandse letteren,’ dan nog ben ik niet de stem van de zwarte literatuur. Ik ben Karin Amatmoekrim, schrijver. Kunst is immers de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. En in die opvatting wordt het werk altijd boven het belang van de samenleving gesteld. Ook een idee waarbij ik me heel senang voel. Het werk is het enige dat telt.

 

Waar ik me wel van bewust ben, is dat het idee van de schrijver als extreme individualist vooral gegund is aan schrijvers zonder kleur, zonder noemenswaardig ‘andere’ achtergrond. Zowel de eigen ‘zwarte’ achterban, als het witte autochtone literaire lichaam, lijken te denken dat het werk van een gekleurde, allochtone schrijver politiek geladen is. Het probleem van die benadering is dat er en passant een subjectief karakter aan het werk wordt toegedicht. Subjectief bedoel ik als tegenovergestelde van wat in de literatuur geldt als kwaliteit; objectief, neutraal, literair. Ik pleit niet tegen engagement in de literatuur. Ik pleit voor de vrijheid van een meer individualistisch schrijverschap. Want zo interpreteer ik de l’art pour l’art-beweging van Willem Kloos cum se uit 1880; dat schrijvers zoals ik anno 2015, migranten, kleurlingen, vreemdelingen, hoe je ze ook noemt, mensen met een complex idee van wat thuis is, bij uitstek extreme individualisten zijn, in die zin dat we nergens hoeven neer te strijken, we dus kunnen wonen in ons werk. Vanuit dat werk bezien we de wereld. Dat werk is daarom het enige dat telt, het is het enige dat waarde heeft.

 

 Wie opgroeit in een geglobaliseerde wereld, leert dat niet een statische culturele identiteit centraal staat, maar dat juist internationale relaties en interacties bepalen wie we zijn. We willen niet altijd postkoloniaal genoemd worden, omdat daarin de aanname kleeft dat we schrijven over de problematiek van het (post)koloniale tijdperk. We willen geen migrantenauteurs genoemd worden, omdat migratie niet altijd een belangwekkend onderwerp voor ons is. Het centrale probleem bij al deze etiketten is de begrenzing. De beperking ervan. We zijn geen beperkte denkers, omdat we geen beperkt wereldbeeld hebben.

 

Hoewel ik een zekere interesse heb in postkoloniale literatuurbenaderingen, beschouw ik mezelf niet als onderdeel van de stroming. Ik las tijdens mijn studie de onderzoeken van Edward Said, Homi Bhabha en Gayatri Spivak, gerenommeerde postkoloniale denkers, en leerde er enorm veel van. Zo kon ik me vinden in Spivaks theorie van de ‘subaltern’, waarmee ze de groep mensen bedoelde die buiten de hegemonische machtsstructuur van het kolonialisme vielen. Over onder meer koloniale literatuur zei Spivak dat;

 

‘het niet aan de subaltern is om haar spraak aan te passen aan de norm zodat ze gehoord kan worden, maar aan ons om ons idee over wat betekenisvolle spraak is aan te passen zodat we haar kunnen horen.’

 

Een gedachte die mij, als toen nog jonge schrijver, de moed verschafte om te schrijven wat ik wilde, en me niets aan te trekken van wat de gevestigde orde ervan zou vinden.

 

Literatuurwetenschapper Edward Said toonde met zijn ‘positioned readings’ een radicale herinterpretatie van wat ik altijd als een vaststaand gegeven had beschouwd; de Europese literaire canon.

 

Hoewel de inzichten van zowel Said als Spivak interessant en belangrijk zijn, ben ik van mening dat er op dit moment iets anders, iets nieuws aan de hand is. Te lang stil blijven staan bij postkoloniale lezing van nieuwe literatuur kent namelijk ook een zeker risico. Boeken die het etiket ‘migrantenliteratuur’ krijgen, lopen het gevaar vooral gewaardeerd te worden om de herkenning die ze bieden van een oude, exotische wereld waarin verloren tradities weer even opgepoetst worden. Wat moet men dan aan met boeken van een zogenaamde migrantenschrijver, die de oude koloniale of postkoloniale wereld overslaan, of die niet stil staan bij de problematiek van de migratie naar het westen? Deze boeken volgen de code niet, en lopen daarmee het risico onplaatsbaar en daarom betekenisloos te worden.

 

En hoe interessant Said’s ‘positioned reading’ ook is, het is fundamenteel anders dan wat er nu, op dit moment gebeurt. Niet langer wordt de westerse wereld namelijk van buitenaf bekeken, het is de blik van binnenuit die veranderd is. De toevoeging die schrijvers die van buiten komen meebrengen in de Nederlandse letteren, is niet zozeer politiek of taalkundig interessant, danwel op het gebied van de verbeelding. Kleur of afkomst is dan weliswaar deel van het literaire werk, maar vormen geen beperking. Het tegenovergestelde is juist aan de hand; de andere afkomst is een verruiming van het veld, een verruiming van de blik. Schrijvers van mijn generatie zijn van Nederland, we zijn zoals u. Geen vreemdelingen, geen exoten. We komen van binnenuit en nemen de hele wereld met ons mee.

 

Dit is geen op zichzelf staande gedachte. Op dit moment is die beweging, of in elk geval de erkenning van die beweging, al in volle gang. Dit jaar liet de short list van de Man Booker Prize zich al lezen als ‘tales of a globalized world’, en werd de prijs uiteindelijk gewonnen door Marlon James, een Jamaicaanse schrijver die met zijn roman de rauwe, authentieke wereld van zijn eiland voor de wereld wist te ontsluiten. En toen in Engeland Granta’s List of Best Young British Novelists werd gepresenteerd, bleek er iets bijzonders aan de hand. Granta’s List is een lijst 20 namen, die slechts eens in de tien jaar wordt samengesteld en die in het verleden legendarische auteurs naar voren heeft geschoven. Dit jaar telde de lijst een meerderheid van schrijvers met een niet-westerse achtergrond. Dat was geen vooropgezet politiek correct plan. Volgens John Freeman, redacteur bij Granta, was het doel om opwindende schrijvers te selecteren en “is het toevallig zo dat de grote verhalenvertellers van deze generatie mensen zijn met een zeer complex idee van thuis.”

 

Er wordt bovendien al jaren binnen verschillende disciplines gesproken van een Afropolitan beweging, waartoe schrijvers als Teju Cole en Taiye Selasi gerekend worden. Schrijvers die een zeker Afrikaans wereldburgerschap uitdragen, in een poging om een nieuwe definitie te verlenen aan wat Afrika is, wat het is om een Afrikaan te zijn op het continent zelf, maar vooral ook in de rest van de wereld. Ik ben geen Afrikaan, maar in die gemengde afkomst van mij schuilt Chinees, Indonesisch, Indiaans én Afrikaans bloed. Ik herken het gegeven dat schrijvers als Cole en Selasi niet terug te voeren zijn naar een eenduidige identiteit. En ik wil eraan toevoegen dat onze identiteit misschien juist schuilt in het ontbreken van definities. De identiteit schuilt in de steeds veranderende context. Ik herken ook de hybriditeit die daarin doorschemert, en die door literatuurwetenschapper Homi Bhabha een ‘een postmoderne vorm van identiteit’ werd genoemd. De identiteit van mijn generatie kunstenaars is niet stabiel en eenvormig. We zijn onderhevig aan een continu proces van interactie tussen allerlei verschillende elementen.  En niet alleen wij staan onder invloed van dekolonisatie, oorlog, migratie. Ook de samenleving zelf. En daarmee; ook de culturele identiteit van Nederland als geheel. Er is niet langer sprake van een homogene groep mensen; het is een samenstelling van verschillende groepen, met verschillende achtergronden.

 

Als iets deze nieuwe generatie kunstenaars en schrijvers definieert dan is het misschien wel de constante, steeds in veranderende vorm terugkerende vraag wie we zijn, en wie we zijn in relatie tot de ander. En die vraag wordt ook steeds anders beantwoord.

 

Als me bijvoorbeeld gevraagd zou worden wat mijn literaire identiteit gevormd heeft, dan zou ik antwoorden dat dit de boeken zijn die ik las in de bevattelijk fase van mijn tienerjaren. Harry Mulisch, van wie ik het grootse gebaar leerde, de interdisciplinaire rijkdom van een wereld. En Sartre, hoe ik het leven moest bezien als een opeenstapeling van willekeurige, zinloze gebeurtenissen en die tegelijkertijd mijn ogen opende voor de vrijheid die achter die gedachte schuilt. Voltaire, die mijn vermoeden bevestigde dat er onderaan de streep niet veel goeds overblijft, dat we niet leven in de beste van alle werelden.

De boeken van die schrijvers hebben de basis gelegd, die niet zo heel veel veranderd is. Maar daarbuiten, in dat kleine beetje ruimte dat nog overblijft, resten de observaties die steeds weer tot nieuwe vragen leiden. Waarom, bijvoorbeeld, kan ik nooit meegaan in het in mijn ogen gemakzuchtige maatschappijkritische  werk van Michel Houellebecq? Waarom werd ik ongemakkelijk van de manier waarop P.F. Thomese zijn Afrikaanse bijfiguren beschreef in zijn bejubelde roman De onderwaterzwemmer? Waarom voel ik me niet thuis als ik in Indonesië op vakantie ben, hoewel iedereen daar in fysieke zin op mij lijkt? En waarom ontspan ik na een maand lang tussen die zo op mij lijkende Javanen pas wanneer ik een groep afro-Amerikanen tegenkom? Wie ben ik? Bij wie hoor ik thuis?

 

Het zijn vragen waarmee eerder vergaarde inzichten opnieuw in twijfel worden getrokken, en die leiden tot meer boeken, meer lezen, nieuwe beelden zoeken, maken, schrijven. Ik moet nóg beter kijken. Ik moet nog beter nádenken.

 

Dit van gedachte veranderen, van positie wisselen is volgens mij wat mijn generatie schrijvers definieert. Zo is er nu veel te doen om het binnenkort in het Nederlands te verschijnen boek van de Amerikaanse journalist Ta-Nehisi Coates; Between the world and me. Coates’ boek zegt niets over literatuur, en toch zijn er duidelijke parallellen met wat hij stelt, en wat in mijn ogen de situatie is in de literatuur, of elke andere vorm van kunst. Kort gezegd; Coates onderzoekt de geschiedenis en verandert daarna van standpunt. Wat mij raakte, was bijvoorbeeld hoe hij nadrukkelijk het optimistisch denken verlaat dat de laatste decennia (met een zwarte president van Amerika als lichtend voorbeeld) is opgebloeid. Een optimisme waaraan ik me ook schuldig heb gemaakt. Ik denk aan een essay dat ik schreef voor een avond in de Balie, twee jaar geleden. De kern van het verhaal; ja, het is lastig om erkenning te krijgen als kleurling. Ja, je moet harder werken dan een blanke. Zet je eroverheen, en je komt boven als winnaar. Dat is het voordeel, was mijn overtuiging, van het gegeven dat we nu eenmaal twee keer zo hard moeten werken.

 

Coates noemt dit ‘twice as good’-principe ronduit immoreel. Het is een vals idee van vooruitgang, zegt hij. Werkelijke gelijkwaardigheid zou het recht zijn voor een kleurling om even middelmatig te mogen zijn als een blanke. Niet om twee keer zo hard te werken om even goed gevonden te worden als een blanke.

 

Ik had er niet eerder zo over nagedacht, en moest bekennen dat hij gelijk had. Terugkijkend op mijn standpunt verschoot ik welhaast van kleur om zoveel arrogant vertrouwen in de maakbaarheid van het leven. Het zette alles wat ik eerder had gezegd, zowel privé als in de media, op losse schroeven. Ik moet kortom meer lezen, meer kijken. Beter nadenken, betere standpunten vormen.

 

Waar de zoektocht eindigt weet ik natuurlijk niet. Maar ik weet wel dat schrijvers als Coates, iemand die van mijn generatie deel uitmaakt, zich voortdurend losmaken van vaststaande ideeën. Eerst van het idee dat je afkomst bepaalt wie je bent; we kunnen zijn wie we willen. Dan weer losraken van dat idee, omdat de wereld je doet nadenken over wie je bent, en beseffen dat je eerste idee waardeloos is geworden in het licht van de ontwikkelingen. Constant los, constant op drift. Ik ben van alles, en daarom hoor ik nergens bij.

 

En voordat u mij met medelijden beziet; dit ‘erbuiten staan’ is de ideale plek voor een schrijver. Het voedt mijn zucht naar individualisme, in die zin dat ik geen aansluiting wens te vinden bij een idee van een vaststaande culturele identiteit. Een identiteit die trouwens veel minder vast staat dan de meeste mensen lijken te denken.

 

Terwijl ik deze lezing voorbereidde, schoot me iets van Goethe te binnen. Na wat graven vond ik het, en het bleek dat ik dit als student ook al zo wáár vond. Goethe beschreef in 1827 iets wat hij Weltliteratur noemde. Dat is dus bijna 200 jaar geleden, mind you. Hij schreef dat we op de vooravond stonden van een nieuw soort literatuur omdat

 

“…alle naties, bij elkaar gedreven door verschrikkelijke oorlogen, daarna weer uit elkaar gereten, hebben zich allemaal gerealiseerd dat ze buitenlandse elementen hebben opgenomen (geabsorbeerd), en zijn zich bewust geworden van nieuwe intellectuele behoeften. Dit heeft geleid tot (…) een verlangen naar een vrijer systeem van intellectuele interactie.”

 

“En uit de manier waarop ze over ons spreken, zowel positief als negatief, leren we om over onszelf te oordelen; het kan zeker geen kwaad als iemand anders ons doet nadenken over onszelf.”

 

Waar Goethe hier, in zijn opvatting over wereldliteratuur van 1827, langs schampte, was het idee van hybriditeit, dat Bhabha anderhalve eeuw later zou introduceren. Goethe beschreef het echter niet als eigenschap van typische postkoloniale of migrantenauteurs, maar als verzamelnaam voor de dynamische eigenschappen van literatuur in het algemeen.

 

 Vermengen met, zich losmaken van, niet op een plek gebonden zijn. Het zijn grote verlangens, allemaal opgeroepen door de wens om de universele taal van de literatuur te schrijven. Tegelijkertijd, en dat maakt het discours ook zo complex, zijn we als schrijvers strak gebonden aan de taal waarin we gekozen hebben te schrijven. Mijn wereldbeeld kan misschien wel continenten bestrijken; ik blijf een Nederlandse schrijver omdat ik in het Nederlands schrijf. In het Nederlands. Dit wil ik even benadrukken. Om met de woorden van Hafid Bouazza te spreken; Franse schrijvers schrijven in het Frans. Nederlandse schrijvers in het Nederlands. En allochtone schrijvers in het allochtoons?

 

Nee, dus.

We zijn Nederlandse schrijvers. Niet eens Nederlandse schrijvers die de westerse geschiedenis en cultuur door de ogen van de buitenlander tonen, maar Nederlandse schrijvers die een ander idee van identiteit hebben. Niet zozeer uit eigen keuze, maar doordat de wereld is veranderd. En met die wereld zijn ook wij, die de culturele identiteit van het westen vorm geven, veranderd. Moderne literatuur, zo las ik in een artikel over Britse literatuur, is misschien wel een wisselwerking tussen postkoloniale thematieken en ideeën over identiteit. En als dusdanig is het een afspiegeling van de complexiteit van de moderne tijd waarin we leven.

 

Als ik die denkwijze doortrek, kom ik toch uit bij de conclusie dat schrijvers die van buiten komen, en in deze taal schrijven, bij uitstek de schrijvers zijn die de complexiteit van onze tijd kunnen vangen. Daarmee bieden ze geen alternatieve blik op een oude wereld. Geen tweede lezing van een bestaande canon. We zijn van hier, we zijn van nu. We zijn van de wereld, en van Nederland. Echte, typisch Nederlandse schrijvers, alleen misschien niet helemaal zoals u het gewend was. En ja, we komen van buiten. Maar we schrijven in het Nederlands, en alleen al daarom zijn we ‘gewoon’ Nederlandse schrijvers. En een bescheiden vreugde mag best gevoeld worden met deze instroom van buitenaf. Want, zoals Goethe al schreef; ‘Aan zichzelf overgeleverd, zal elke literatuur zijn levendigheid uitputten als hij niet vernieuwd wordt door de interesse en bijdrage van een buitenlandse literatuur.’

 

Er was toen, en er is nu, iets aan de hand in de letteren. En de reden daarvan is, in mijn ogen, dat de definitie van literatuur samenhangt met de definitie van identiteit. Alleen al daarom zou het interessant zijn te kijken naar schrijvers die in het Nederlands schrijven, en die een meer fluïde idee hebben van identiteit. Niet omdat ze een postkoloniale blik werpen op westerse culturele waarden. Maar omdat ze een hele nieuwe westerse cultuur helpen vormen. Een die los van alles staat, en tegelijkertijd overal mee verbonden is. Het gebeurt nu, op dit moment, onder uw ogen. Als u oplet, kunt u er getuige van zijn.

 

 

Andere posts...