Fragment uit ‘Titus’

2008

Een zeer verheugde Karin Amatmoekrim schrijft vandaag; Het nieuwe boek is nagenoeg af. Als we op dit spoor blijven, komt het in februari uit. Hoera!

Als beloofd, een nieuw fragment uit het boek. Verteld vanuit het personage ‘Buurman Schrijver,’ die hier zijn aantekeningen naleest. Het beeld is een ontroerend en angstaanjagend doek van Helene Schjerfbeck.

schjerfbeck.jpg

Het was moeilijk om haar terug te vinden. Toen ik haar eenmaal had waar ik haar hebben wilde (naast me in het café, omgekocht met Martini’s en sigaretten. Gauloises. Ze waardeerde mijn geheugen voor details), vertelde ze dat ze een tijdje ondergedoken zat. ‘Een huis voor huislozen,’ antwoordde ze enkel toen ik vroeg waar ze zich had verscholen (ik dorste nog niet te vragen voor wie). En toen; ‘Er zijn er nog een paar die zich om ons bekommeren,’ op een manier die deed  vermoeden dat ook ik tot haar ons behoorde.
Ik besteedde verder weinig tijd aan small talk. Ze was teveel een vrouw van de wereld om die niet te doorzien.
‘Ik wil weten wat jij van Titus weet. De man van het meisje dat jij hebt zien verongelukken.’
Ze keek me aan met die kattenogen van haar, die hoe dan ook dit keer niet meer het effect op me hadden als de dag dat ik haar ontmoette.
‘Tutoyeren we elkaar al?’
Ik liet me niet van slag brengen en zei dat we dat inderdaad deden, omdat we dan konden doen alsof we goede vrienden waren.
‘Goede vrienden van de fles,’ reageerde ze.
Ik begon bang te worden dat ik haar op een verkeerde dag getroffen had.
‘Als je niet wil praten, dan doen we dit een andere keer.’
Volgens mij moest ze daar even over nadenken, want ze reageerde niet meteen. ‘Even mijn neus poederen,’ zei ze op die meisjesachtige manier die soms charmant was, en soms hopeloos misplaatst. Ik wachtte op haar en bestelde meer drank om haar ter wille te zijn. Toen ze terug kwam, was ze rustiger, meer als de vrouw die ik die ene dag op straat had gevonden. De kalmte die mooie vrouwen diep in zich meedragen, ook als ze hun schoonheid aan het verliezen zijn. Ik stak een sigaartje op. Dat doe ik altijd als ik nerveus ben, iets wat zij natuurlijk niet wist. Ik had het gevoel eindelijk mijn verhaal te krijgen. Ik vroeg haar het me te vertellen.

Ze zei; ‘Hij moet haar loslaten. Als hij wist wat de gevolgen zijn, zou hij het misschien doen. Misschien, maar waarschijnlijker ook niet. Ook al krijgen we de kans om te weten, de onnozelheid blijkt vaak al te aantrekkelijk. Maar Titus, met zijn onwil om die vrouw los te laten, is niet zozeer onnozel als wel zonder wortels. Hij drijft mee en houdt zich alleen vast aan de gedachte aan haar – het is net als bij die ene jongen, kom hoe heet hij. Einar, ja. Hij had een vriendin, zij was zo verliefd. Maar hij had het zelf niet in de gaten, he. Dat ze zo gek op hem was. Hij was ook niet op die manier in haar geïnteresseerd. Helene heette ze. Ze schilderde, het was een droeve vrouw. Ze schilderde zijn portret. En nu ze allebei dood zijn, hangt zijn gezicht vaak tussen haar andere doeken, omringd door levenden. Ze bekijken hem, betasten als niemand kijkt de verf, spreken proevend zijn naam uit. En Einar, wel op weg naar boven, wordt door die gedachten aan hem weer naar beneden getrokken. Onnatuurlijk, kan ik je vertellen. Hij hoort te stijgen, op de warmte van de aarde, waar ook de wolken op drijven, omhoog. In plaats daarvan trekt elke nieuw gevormde herinnering aan hem, hem met een lijntje terug naar de wereld. Hij heeft er schoon genoeg van. Zou ik ook hebben. Laat je nooit vereeuwigen in een schilderij, vriend. Of nog erger; in een boek.’

Ze dronk in een hoog tempo. Ik vroeg haar wie Einar was.
‘De love interest van Helene, zei ik toch.’
Ik vroeg haar waarom ze mensen enkel bij hun voornaam noemde.
‘Omdat ik ze anders niet meer uit elkaar houd.’
Ik zei dat dat niet logisch was. Ze haalde haar schouders op.
‘Zijn die Einar en Helene relevant voor het verhaal van Titus?’
‘Zijn we niet allemaal relevant voor elkaars verhaal?’
‘Beste vriendin,’ zei ik streng,‘Je weet over wie ik wil praten. Verdoe mijn tijd alsjeblieft niet.’
Ze had weg kunnen lopen, maar ze zei; ‘Goed. Ik laat die anderen eruit. Hoewel je moet weten dat Helene ook een schilderes was. Titus’ leven is nauw met kunst verbonden. Hij kent haar werk waarschijnlijk wel. Wat hij niet kent, zijn de waarheden erachter.’

Andere posts...