Nooit Meer Slapen

2015

In de week van 15 tot en met 19 juni schrijf ik elke nacht een column voor VPRO’s Nooit Meer Slapen. Hier leest u het stuk van donderdag 18 juni.

De aanleiding van het stuk is de start van de Ramadan.

Ramadan Mubarak

Theoloog Karen Armstrong zei eens dat god voor niet-gelovigen het beste uit te leggen is door na te denken over onze relatie met kunst. De vervoering die een muziekstuk kan brengen, de verwondering over de verbeelding van een kunstenaar, de inspiratie van de schrijver – in dat wat ons zichtbaar raakt, schuilt de onzichtbare hand van het goddelijke. Ik ben niet gelovig, maar het lijkt me inderdaad dat god af te wijzen, een ontkennen is van de dingen die we niet begrijpen. De verwondering, toch een van de fijnere dingen van het leven, gooien we dan weg, als een kind met het badwater. Het goddelijke mag dan naam noch gezicht hebben, maar verder lijkt alles wat met het geloof in god te maken heeft even feilbaar en gebrekkig te zijn als de mens zelf. Ik herinner me een verhaal over mijn opa, een eenvoudige moslim met een klein stukje grond waarop hij een bestaan bouwde voor zijn gezin. Vijfmaal daags spreidde hij zijn gebedskleed en boog zich naar het westen. Op een keer merkte een achterneef op dat Mekka niet in het westen lag, maar in het oosten. Mijn opa was verbijsterd geweest. Zolang als hij zich wist te herinneren, knielden moslims naar het westen. Wat volgde was een lange periode van debat, waarin zijn gebrek aan geografische kennis hem danig in de weg zat. Uiteindelijk moest hij aannemen dat hem geleerd was te bidden naar het westen, omdat dat de richting was waarin Mekka lag ten opzichte van Indonesië. Als men in Suriname was, dan lag Mekka in het oosten. Zijn neef had, strikt genomen, gelijk gehad, maar mijn opa zag het alsnog als een gebrek aan geloof en een breuk met hooggewaardeerde tradities bovendien. Toen de achterneef na zijn theoretisch verzet, ook daadwerkelijk zijn kleed in de tegenovergestelde richting uitspreidde, ontstond een onmogelijke situatie. Ze bevonden zich nu elke dag letterlijk tegenover elkaar; de neef naar het oosten, mijn opa naar het westen.

Ik hoorde, dat de twee de ruzie nooit meer te boven zijn gekomen.

God is misschien gezichtsloos, maar het geloof in hem is de mens ten voeten uit.

Andere posts...