Onwaardig

2013

Ik kreeg veel kritiek op De man van veel. Het boek zou kwetsend en respectloos zijn, of werd juist geprezen om zijn postkoloniale of esthetische waarde. Ik heb me zoveel mogelijk afzijdig gehouden van het debat. Hier laat ik, zoals het zou moeten, de literatuur aan het woord. Een fragment uit De man van veel, over Anton en zijn grote liefde Nel, waarvan gezegd wordt dat ze onwaardig neergezet zouden zijn.

 

Hij was de halve wereld over gereisd, op zoek naar iets wat hij niet kon omschrijven. Toen hij haar ontmoette, bleek ze niet te hebben wat hij zocht, maar juist iets te bezitten wat hij nooit had nagejaagd. Ze toonde hem een manier van zijn die hij zelf niet had kunnen bedenken, en die op hem overkwam als onnadrukkelijk en volmaakt. Het was alsof hij het diapositief van zichzelf ontmoette; een blanke vrouw uit de Hollandse middenklasse die nooit verder dan haar landsgrenzen was geweest. Een blanke vrouw die even beheerst was als hij hartstochtelijk. Iemand die zijn ambities, de kern van zijn karakter, glimlachend als een grote onzinnigheid wegwuifde. Iemand zonder ambities die perfect gelukkig was. Terwijl hij leefde met een constant gevoel van angst om te laat te zijn – hoewel hij nooit precies kon achterhalen waarvoor precies – was háár grootste kracht dat ze berustte in de middelmaat van het leven. Hij stelde ambitie gelijk aan levenslust en trok in zijn eentje de wereld in omdat hij dacht dat alles te omarmen, de enige ware manier van leven was. De tegenstelling was zo groot dat ze elkaar even goed hadden kunnen afstoten, maar het werd het tegenovergestelde; ze werden verliefd. Hij was verrukt toen hij ontdekte dat deze vrouw de wereld weliswaar gelaten bezag, maar dat nooit lijdzaam deed.

De vurigheid die hij bij haar vermoed had, bleek ze te bewaren voor in bed. De eerste keer dat hij met haar vree, wurmde ze zich al in de gang los van zijn omhelzing. Hij had haar in verwarring nagekeken, terwijl ze vol ongeduld door liep naar de slaapkamer. Hij volgde haar. Ze sloot de deur achter hem, knoopte zonder omhaal haar blouse open, stapte uit de zwarte rok, ontdeed zich van haar bustier en haar slipje. Ze was naakt, op een lange ketting na. Het kunstparelen snoer benadrukte bleek en zacht glanzend de naaktheid van haar draagster. Ze had hem naar adem doen happen toen ze hem uitdagend aankeek en zei, Zo, en wat ga je nu met me doen, Anton de Kom, en zijn naam klonk goed, zo goed.

Ze betoverde hem. Met haar gretige, kleine lichaam, de bedrieglijke koelte, de vurige hitte waaraan hij zich kon blijven laven, nacht na nacht. Ze betoverde hem ook met haar kalmte, de rust die ze in zich droeg en die als hij in haar aanwezigheid was als vanzelf ook op hem neerdaalde. Hij was eraan gewend geraakt een buitenstaander te zijn, maar wanneer hij bij haar was bestond er niet langer een tweedeling. Dan ging het om twee mensen; Anton en Nel, zonder dat zijn afkomst of kleur een punt van discussie was. Ze accepteerde hem. Niet door weg te kijken van de dingen waarin ze van elkaar verschilden, maar door de verschillen met dezelfde gelatenheid te aanvaarden als ze gewoon was te doen met het weer, of haar lot, of wat het leven haar ook bood. Antons fascinatie met haar bijzonder soepele karakter was groot, ook op de momenten dat ze hun verkering buiten het zicht van haar familie placht te belijden. Haar moeder keurde hun omgang af, zei ze zonder verdere plichtplegingen. Dus hield ze daar rekening mee. Toen hij haar vroeg om met hem te trouwen, viel ze hem om de nek en fluisterde haar antwoord in zijn hals. Het was ja,  ook al had haar moeder gezegd dat een keurig meisje niet met zo’n man trouwde, en ook al wilde haar broer hem niet de hand schudden omdat hij hem vies en zwart vond. Mijn man, zei ze tegen Anton, en daarmee zette ze hen beiden buiten de wereld van de anderen. Mijn man. Mijn vrouw.

Mijn Nel.

Van mij.

 

Andere posts...