Tenzij de vader

2016

Mijn nieuwe boek Tenzij de vader ligt in de winkel! Ik sprak erover met NRC Handelsblad, dat lees je hier. Ik treed ook veel op in het land met het boek, de agenda daarvan vind je hier. En hieronder een fragment. Het boek kopen kan hier.

 

FRAGMENT // TENZIJ DE VADER, Prometheus 2016

 

Ik was elf jaar oud toen ik voor het eerst hoorde dat mijn vader in Suriname woonde, en dat hij Eric Lie heette.

Het was minder een aankondiging geweest dan dat het tovenarij was. Mijn moeder had tijdens het vertellen haar ogen gesloten en met haar smalle handen in de lucht geplukt, uit haar herinnering een beschrijving oogstend van een man waar ik nooit eerder iemand over had horen praten. Ze onthulde een nieuwe waarheid; dat mijn vader niet mijn vader was, en dat mijn echte vader in Suriname woonde, en dat terwijl mijn oude vader, die opeens een stiefvader bleek te zijn, een eenvoudige matroos was op de grote vaart, maar eigenlijk zijn dagen in dienst van de drank stelde, een gegeven dat op dat moment onlosmakelijk met ons leven verbonden was, dat mijn echte, échte, vader in Suriname bekendheid genoot als sportheld. Het was de dag waarop mijn vader, pardon; stiefvader, hardhandig door de politie uit onze flat verwijderd was. De rust was weergekeerd, en nadat mijn moeder en ik zwijgend de ravage van zijn dronkemannenbezoek hadden opgeruimd en mijn jongere broer en zus naar bed waren gebracht, waren zij en ik bij elkaar in het grote tweepersoonsbed gekropen. Ze lag op haar zij, met haar gezicht naar me toe. Haar ogen waren dicht, maar ze sliep niet want ze schudde zacht met haar been, een gewoonte die ze had waarmee ze zichzelf en haar kinderen in slaap suste. In een natuurfilm had ik eens gezien hoe een olifantenmoeder haar kind zacht wiegde met haar slurf, en de zalvende vertelstem van de televisie zei dat zij dit deed om het kind gerust te stellen, en dat het ritme van het wiegen afgestemd was op het ritme van het hart.  Ik had daar aan gedacht, en aan dat ze zo stil voor me liggend, jonger leek dan normaal. Ze was ook pas achtentwintig op dat moment, maar voor kinderen zijn ouders vanzelfsprekend oud, ongeacht hun ware leeftijd.  Op dat moment had ze haar ogen open gedaan en me aangekeken met een onderzoekende blik die ik niet van haar gewend was. ‘Je vader,’ zei ze. Toen stopte ze. Ik wachtte en draaide me op mijn rug, terwijl zij in stilte zocht naar de rest van haar zinnen. Ik keek naar het plafond dat in twee helften werd verdeeld door een kaarsrechte streep licht dat door een kier in de gordijnen viel. Ik luisterde naar mijn moeders ademhaling die niet veel sneller ging dan normaal. Ze bleef schudden, sussen, en niets had erop gewezen dat ze nerveus was voor wat ze me ging vertellen. Toch voelde ik dat er iets te gebeuren stond. Iets groots. ‘Je vader,’ herhaalde ze. ‘Heb je je nooit afgevraagd waarom je niet op hem lijkt?’

Ik had mijn hoofd geschud zonder over de vraag na te denken. Ik wilde dat ze opschoot, stappen over zou slaan. Ik wilde horen wat het precies was dat ons daar in dat donkere bed wakker hield. Ze bestudeerde mijn gezicht. Ik wachtte ongeduldig, maar lette erop niets te zeggen dat haar zou weerhouden van een zekere openbaring.

Toen zei ze; ‘Hij is wel de vader van je broertje en zusje, maar niet van jou.’

Ik hield even mijn adem in, en liet hem toen door mijn neus ontsnappen.

‘Karin?’ vroeg mijn moeder. ‘Ja,’ antwoordde ik, en mijn stem klonk gewoon, zoals altijd, er was geen emotie. Ik had mijn hand plat op mijn buik gelegd en probeerde te voelen of er iets gebeurd was na mijn moeders mededeling. Niets. ‘Ja,’ zei ik nog eens, en ik draaide mijn hoofd opzij zodat ik haar aan kon kijken.

‘Wil je weten wie je vader is?’

Ik had geknikt. Ze sloot haar ogen weer, en tijdens het praten hadden haar handen weer bewogen, met de slanke bruine vingers die ik zo bewonderde, over het laken, door de lucht, en ik vroeg me af wat het was dat ze zochten, was het houvast of dirigeerde ze haar woorden, het verhaal. Toverde ze er misschien een vader mee, een vader speciaal voor mij. En toen had ze gesproken over zijn kracht, zijn warmte. Dat hij een beroemde sportman was, taekwondo, een woord dat ik nooit eerder had gehoord. En ze sprak over zijn liefde voor haar, over hoeveel zij op haar beurt van hem hield, ooit.

Ik dacht aan mijn vader de zeeman. De reus die kwam en ging wanneer hij wilde,  die lachte omdat hij dronk tot hij zoveel had gedronken dat hij moest huilen, dikke zoute zeemanstranen over een grof, blank gezicht dat ik nooit had herkend als niet het mijne, want kinderliefde is loyaal, stelt geen vragen. Drinken, lachen, drinken, huilen, huilen, schreeuwen, de dingen kapot maken.

Mijn moeder vroeg hoe ik me voelde.

‘Ik vind het niet erg,’ antwoordde ik. Ik legde mijn hand weer op mijn buik, probeerde iets te voelen. Er was niets. Of toch, iets heel kleins, ergens diep van binnen, maar het was er onmiskenbaar. Het was een gevoel van opluchting.

‘Wil je nog iets weten,’ vroeg mijn moeder.

‘Niet echt,’ antwoordde ik. Ik was moe. Ik wilde slapen en daarmee een einde aan de dag maken. ‘Of toch, ik heb nog wel een vraag.’

‘Wat dan?’

‘Hoe heet hij?’

Ze wachtte een moment, het leek of ze een aanloop nam naar het antwoord, en toen zei ze; ‘Eric Lie. Zo heet hij.’

Ik knikte, en zei dat ik ging slapen. En dat deed ik. Ik sliep rustig in bij het besef dat er een hoofdstuk was afgesloten. Mijn vader was niet mijn vader, dus ik hoefde niet langer loyaal te zijn aan hem. Ik stopte met over hem na te denken, met me zorgen over hem te maken, met hopen dat hij weer langs zou komen, me cadeaus zou brengen, ijsjes met me zou eten bij de dure Italiaanse winkel waar mijn moeder het geld niet voor had, met verdrietig zijn omdat hij weer vertrok en niemand een idee had wanneer hij terug zou komen. Ik stopte met over hem na te denken, want hij was mijn vader niet langer.

 

Over de man die Eric Lie heette, dacht ik ook niet na. Ik noemde het bij mijn vriendinnen toen ik ze vertelde dat ik een nieuwe vader bleek te hebben. Hij is beroemd, zei ik, en hij is sterk. Iets met taekwondo.

Ik kan me niet herinneren dat iemand onder de indruk was van het nieuws. Misschien kwam het door de omgeving, waarin iedereen zijn eigen problemen kende en geen tijd had om lang stil te staan bij de veranderende wereld van een ander. Ik nam het ze niet kwalijk omdat ik wist dat het beter was om niet teveel interesse te hebben in andermans zaken. In elk geval groeide ik op zonder de stiefvader en ook zonder Eric Lie, hoewel ze allebei op hun eigen manier in mijn achterhoofd meereisden. Mijn moeder wilde me het tumult van een hereniging besparen. Contact zou er komen, verzekerde ze me. Maar pas als ze zag dat ik er klaar voor was. Ik schikte me in die beslissing. Terugkijkend bedacht ik dat ik niet het soort kind was geweest dat vragen stelde. Een mengeling van respect voor andermans zwijgen, en desinteresse in de waarheid (waarom zou ik het willen weten? Ik verzon als het nodig was wel een eigen werkelijkheid), die erin resulteerde dat ik op het oog meedeinde op wat de dagen ook brachten. Wel begonnen de verschillen tussen mij en mijn jongere broer en zus op te vallen. Er was een andere bril opgezet – nieuwe kennis zet de wereld altijd weer in een ander licht. Als ik niet van diezelfde vader was, dan was ik dus niet half blank, zoals zij. Mijn zelfbewustzijn begon duidelijker vorm te krijgen, denk ik, en met het mijne vergrootte ik ook dat van hen. Mijn zusje noemde ik een Turk, omdat ze met haar blanke huid, grote groene ogen en dikke, sluike haren leek op de Turkse kinderen uit onze straat. Mijn broertje was in de winter even wit als zijn Nederlandse klasgenoten, maar kleurde in de zomer zwarter dan ik. Een genetische vermenging in zijn huid die nog bezig was de balans op te maken tot welke groep hij definitief zou behoren. Behalve dat ik me realiseerde dat ik niet langer een halve blanke was, was ik vooral opgelucht dat mijn vader een stiefvader bleek. Het betekende dat hij geen vader meer was. Althans, niet de mijne. Hij was niks van mij, dus ik was niet langer aan hem gebonden door de ijzeren banden van de loyaliteit, bij kinderen sowieso onverbrekelijk, onverzettelijk, naar niets anders om te smelten dan naar binnenslaande pijn. Geen kind verlaat zijn ouders. Een moeder of een vader kan met een kind sollen wat het wil, het kan het slaan, verkrachten, mishandelen, verwaarlozen, negeren. Het kind zal altijd, altijd, loyaal blijven. Tot het geen kind meer is, maar tot die tijd zal het verdragen wat het te verdragen krijgt met het geduld van een hond, trouw wachtend op de liefde van zijn baasje.

Maar als het kind opeens hoort dat de vader niet de vader is, dan is het per onmiddellijk ontslagen van die loyaliteit. Dat was althans mijn redenatie. Ik herinnerde me scherp de gedachte die die nacht door me heen ging. Ik ben niets van hem.

 

Ik had misschien wel in stilte gewacht op verlossing van die stiefvader. Hij was een man die de ondergang zocht in alles, en dat deed hij vol overgave. In mijn herinnering was hij synoniem voor de aftakeling van de volkswijk waarin ik mijn jeugd doorbracht. Het schimmelde in de hoeken van de gebouwen, in de hoeken van de gedachten van de mensen. In een boek van Jeffrey Eugenides las ik eens dat het moed kostte om dingen zo mooi in te laten storten, en ik vermoed dat ik ergens altijd heb gehouden van die rot in alles. Ik was erop gespitst, of zoals mijn stiefvader eens zei; ‘Jij kan overal het lelijke wel in zien.’ Ik dacht toen dat het niet zozeer aan mijn blik lag, maar aan hoe hardhandig de lelijkheid zich gewend was op te dringen aan de mensen. Nu denk ik dat hij misschien gelijk had, en dat ik een uitzonderlijk talent heb om de schaduwkant op te merken. Maar de moed, waarover Eugenides het had, om dingen zo mooi in te laten storten? Die was geheel toebedeeld aan mijn stiefvader. Hij leed waarschijnlijk onder het leven, zoals de meeste alcoholisten dat op hun eigen manier doen. Een andere manier heb ik niet om te verklaren waarom hij de dingen die hem konden redden, terzijde schoof.

Maar hij heeft gelijk gekregen; ik heb onmiskenbaar een hang naar wat rauw en geschonden is. Schoonheid heb ik altijd gewantrouwd. Het aardige, vriendelijke, opgepoetste is nooit zo eerlijk als dat wat zich geen illusies meer maakt.

 

Andere posts...