VPRO Nooit Meer Slapen februari 2016

2016

De dagelijkse column voor Nooit Meer Slapen van de VPRO van de eerste week februari 2016. Over ‘daar moet een pik in’, het lijden van de kunstenaar en de lonkende middelbare school.

 

Maandag 1 februari 2016

De Marokkaanse Nadia Ezzeroili schrijft in de Volkskrant dat ze zich niet thuis voelt in Nederland. Arnon Grunberg vraagt zich af hoeveel thuis een mens eigenlijk nodig heeft. Zo min mogelijk, is zijn antwoord. Typisch het antwoord van de schrijver, ik herken de behoefte om nergens thuis te willen zijn. Vrijheid is een groot en op meerdere manieren te interpreteren goed. Hoewel het natuurlijk noodzakelijker is een plek te verlaten die je altijd beschermd heeft, als een verstikkende moeder die je omwille van de eigen autonomie achter moet laten. Bij ongewenste kinderen, zoals Ezzeroili zich misschien voelt, is de dynamiek anders. Die zoeken de bevestiging, niet de vlucht.

Maar hoeveel thuis heb je inderdaad nodig? Thuis is eenvoudigweg bij wie het meest van je houdt. Die te vinden, is een weliswaar lastige maar ook tamelijk overzichtelijke exercitie. Er zijn er namelijk niet veel die het meeste van jou houden, en op wie jij op jouw beurt het meest gesteld bent.

Thuis is in elk geval niet de PVV-vader, schat ik. Die met het huilende kindje op zijn arm een groep feministes uitjouwt met ‘daar moet een piemel in’. Over feministes gesproken; Simone van Saarloos werd vorige week ook al onderwerp van een dergelijke oproep toen een zekere male chauvinist pig zijn achterban opriep om haar een goede beurt te geven. Een bijzonder onnozele denkfout, lijkt me. Alsof vrouwen kritisch worden uit frustratie door een gebrek aan seks. Alsof vrouwen überhaupt snel lijden onder een gebrek aan seks. En alsof, mocht dat onverhoopt wel een keertje zo zijn, ze dan zitten te wachten op kalende mannen van middelbare leeftijd met twijfelachtige opinies. Over te weinig seks gesproken; mijn eigen man kreeg het eens aan de stok met iemand die mij in de rij van de MacDonalds onbeschoft bejegende. Er dreigden klappen te vallen, toen mijn man aan de ander vroeg; ‘Wat is jouw probleem, lang niet geneukt ofzo?’

Dat is natuurlijk het hele eiereten. Niet de ruzie in een fastfood restaurant. Maar dat het juist niet de vrouwen zijn die gefrustreerd zijn als het aankomt op seks. Wij kunnen er immers veel makkelijker aan komen dan mannen. We hoeven er niet eens om te vragen, zie de leus ‘daar moet een piemel in’. Het zijn juist de seksueel gefrustreerde mannen die voor problemen zorgen. Zij moeten eens een goede beurt krijgen, niet wij. Er moet, kortom, bij hen een piemel in, of een doos omheen. Het helpt alleen niet als je een onaardige, conservatieve smeerlap bent. De les die de man, na al die eeuwen zogenaamde beschaving, nog steeds moet leren is; wie wil scoren, moet gewoon een beetje lief zijn.

Thuis, wil ik maar zeggen, is bij wie de liefde oprecht is, en er seks in overvloed bestaat.

 

 

Dinsdag 2 februari 2016

Ik lag uitgestrekt onder wit licht te wachten op de komst van de arts en dacht na over de relatie tussen kunst en lijden. Onlangs vertelde de directeur van een internationaal literatuurfestival me over een mislukt programma. Mislukt omdat het enkel had geleid tot wederzijds onbegrip tussen Nederlandse auteurs en hun collega’s die in ballingschap leven. Sommigen van die laatsten hadden jarenlang gevangen gezeten omwille van de woorden die ze schreven. De oeverloze overpeinzingen van de Nederlandse collega’s over de aard van schrijverschap, de literatuur als grootste vrijheid, vielen in slechte aarde. Wat weten schrijvers die geen oorlog hebben gekend van het echte leven, van de pijn ervan. Wat zijn hun ideeën waard, als ze nooit schreven in een wereld zonder schoonheid.

 

De arts liet op zich wachten. Mijn gezicht voelde niet als het mijne. Mijn lichaam, dacht ik, was in oorlog. Heel kort weliswaar, een blitzkrieg, een strak georkestreerde invasie op mijn lichaam. Men zou binnendringen, een paar dingen opblazen, de gewonden wegslepen en het gebied verlaten. Morgen zou de stille wereld weer aanvangen. Nu moest ik lijden. Echt en concreet, en zeker niet voor de kunst.

Er werd een blauw doek over mijn gezicht getrokken waarin een ronde opening was uitgespaard. Mijn mond en mijn kin vielen in dat gat. De rest van mijn gezicht ging schuil onder het laken. Mijn verstarde gapen tijdens de operatie, zo stelde ik het me voor, was een gat in een gat, waarin rubberen vingers wroetten en metalen klemmen hun middeleeuwse werk deden. Ik probeerde te vluchten in mijn ideeën, een schoonheid van beelden op te roepen waarvan ik wist dat ze bestond. Eenmaal gevangen in de heksencirkel van het witte operatielicht bleek er echter geen ruimte te zijn voor verstrooiing. De werkelijkheid drukte me tegen zijn borst, dwong me zijn diepe donkere hartslag te horen.

‘Ik heb nu een mooie grote opening in het tandvlees gemaakt,’ zei de arts.

‘En nu schuif ik éven het slijmvlies opzij.’

‘En nu zien we de kaak.’

Ik kneep mijn ogen onder het blauwe laken stijf dicht en zag het inderdaad voor me, mijn kaak, als die van een schedel, en toen zag ik mijn schedel voor me, en toen de dood, de holle ogen in mijn schedel, ik zag mijn eigen sterfelijkheid. Als de werkelijkheid te echt is, is de verbeelding geen redding, maar een vloek. Ik verliet de verbeelding en richtte me op iets dat net zo concreet was als de pijn en de vernedering en de angst; het ademen van mijn lichaam. Een teug in, ik leefde nog, een ademtocht uit, ik was nog niet dood. Ik haalde het einde van de behandeling ternauwernood. De kunst was al die tijd ver te zoeken.

 

 

Woensdag 3 februari

Vanaf 2020 mag er niet meer op schoolpleinen gerookt worden, las ik vandaag in de krant. Ik dacht terug aan mijn eigen schooltijd, toen je je eerst door een haag van rokende pubers heen moest werken om het gebouw in te komen. In mijn herinnering droeg het bij aan de vrijgevochten sfeer van de school. Een cultuur van blowers en kakkers, nerds en skateboarders. Maar misschien is mijn herinnering gekleurd door de melancholie van de ex-roker, dat kan ook.

Toen ik van de krant opkeek, paradeerde mijn dochter op een paar van mijn pumps door de kamer. Ze is elf jaar, het duurt nog een centimeter of vijf voor ze even lang is als ik. Dat rondstommelen in mijn schoenen deed ze ook al toen ze een kleuter was. Toen vond ik het nog schattig.

 

De afgelopen dagen bezochten we middelbare scholen. Soms was het zo druk, dat we de lokalen niet eens meer in konden. We lieten ons door de gangen voortstuwen, deden alsof we een rivier waren, lachten wat als we kennissen tegenkwamen die we uit de kroeg kenden en zeiden tegen elkaar; ‘kan je geloven dat we al zo oud zijn?’

In biologielokalen stonden nog steeds microscopen en opgezette vogels. Bij Nederlands hing weer een poster met het gedicht over jonge sla in vochtige bedjes. De gymleraar had zijn apparaten opgesteld voor apenkooi. Alles was zoals het altijd was geweest. Hoe konden we níet aan vroeger denken.

 

Bij de ingangen van deze scholen ontdekte ik geen rokende leerlingen. Waarschijnlijk waren ze gewaarschuwd om er niet te blijven hangen tijdens de open dagen. Om de ouders niet af te schrikken. Ouders die zich graag laten sussen door informatiefolders over schoolfeesten met alleen frisdrank, opgevulde tussenuren, inlogcodes voor track-and-trace-achtige systemen waarmee het kind nimmer uit het oog verloren raakt. Dezelfde ouders die zelf feilloos de mazen in het net wisten te vinden, op hun veertiende voor het eerst dronken van hun fiets tuimelden, experimenteerden met drugs en met seks, stomme weddenschappen sloten, fietsen jatten, gearresteerd werden, hun eigen ouders vol schaamte moesten bellen… Ik kijk naar mijn dochter, nog even elf jaar oud. Zoals ze haar balans op de hoge hakken zoekt, nu nog voor de lol, is ze al de vrouw die ze over een paar jaar zal zijn. Ze is toekomst en verleden, herkenning en vervreemding in een. Ik wil er niet aan denken, maar hoe kan ik het niet zien, als de toekomst zo nadrukkelijk op aanbreken staat. Als alles is zoals het altijd al was, dan zal ook zij de mazen in onze netten vinden. Terugkijken is gevaarlijk. Een blik vooruit werpen is ronduit beangstigend.

 

Donderdag 4 februari 2016

 

Het is de schuld van de VPRO dat ik de laatste paar dagen meer Twitterberichten heb gelezen dan de afgelopen zeven, acht maanden bij elkaar. Ik zocht naar inspiratie, berichten die me aan het denken zouden zetten, tot nieuwe ideeën zouden leiden. Wat ik trof was voorspelbaar en ordinair, maar op zo’n banaal niveau menselijk dat ik voor ik het wist verdwaald raakte in wat wel een stadion vol ruziemakers leek, de een riep harder dan de ander, er was zoveel lawaai, niemand verstond elkaar, niemand wilde elkaar verstaan.

De laatste keer dat ik in dialoog met iemand op Twitter ging, riep hij dat ik een vieze bruine trut was en het land uit moest. Vier berichtjes gingen heen en weer, in een ervan gaf ik hem een compliment, en we sloten af met gele ronde gezichtjes die elkaar hartjes toewierpen. Ik had ons uit de impasse geholpen, door een beetje aardig te zijn. Ik schreef het eerder deze week al; het is een strategie die bijna altijd zijn vruchten afwerpt. Voorwaarde is natuurlijk dat in elk geval iemand bereid moet zijn een zekere mate van beschaving aan de dag te leggen. En daar schort het natuurlijk meestal aan; mensen zijn minder beschaafd dan ze zouden willen, en zijn de laatsten om dat van zichzelf te erkennen.

Ik denk aan Harry Mulisch, die schreef dat ‘Wie meningen heeft, niet zozeer een romanschrijver (is) als wel nog steeds een romanfiguur. En romanfiguren zijn de abominabelste schrijvers ter wereld.’ Het is een opvatting die mij erg goed uitkomt – en die me ertoe zet om het stadion met opinie-hooligans andermaal achter me te laten. Als u nu zou meekijken, zou u me zien zitten in een wolk van opengeslagen boeken. Ik lees er op het moment – ik heb ze net geteld om er zeker van te zijn – twaalf tegelijk.

Ze gaan over Oekraïne, over Desi Bouterse, over de jeugdjaren van Sartre, over een vader en zijn zonen in het laat negentiende-eeuwse Rusland, over de vele gezichten van Spanje, over Auschwitz dat dicht blijkt voor een grootscheepse herdenking, over Ghanezen in Parijs, over armoedig Rome, over legendarische metamorfosen en over de kille schoonheid van Zweden. Ergens in deze boeken hoop ik dwarsverbanden te vinden. Lijnen die het boek over westers kapitalisme op het Afrikaanse continent uitwerpt naar wat ik had gelezen in Ovidius. Een onzichtbaar koord dat loopt van Odessa naar Sartre. Uit al deze boeken moet een web van verwijzingen, gelijkenissen, dwarsverbanden ontstaan, een ingenieus systeem van waarachtigheden, van zilveren, doorzichtige snaren die je slechts licht hoeft aan te slaan om er een idee uit geboren te zien worden. Ik stel me voor dat het klinkt als een breekbare, wonderschone melodie. Ik hoorde de theologe Karen Armstrong eens zeggen dat als iemand de definitie van het goddelijke zoekt, ze op muziek, kunst, inspiratie wijst. Dat ongrijpbare, dat is god. Ik geloof niet in god, maar wantrouw alles wat zich denkt te laten vangen in 140 tekens. Als je de lengte van een tweet zou afmeten in een willekeurig boek, zou je op drie, misschien vier regels komen. Zo verhoudt een mening op Twitter zich tot de waarde van een enkele roman. Een handvol woorden die waardevol lijken, maar nooit op eigen benen kunnen staan.

 

 

Vrijdag 5 januari 2016

 

Een Molukse jongen bood vandaag als protest tegen het huidige maatschappelijke klimaat, zijn Nederlandse paspoort te koop aan op Marktplaats. Het herinnerde me aan het stuk van Nadia Ezzeroili, waarover ik begin deze week schreef. Ook zij wilde, symbolisch, geen Nederlander meer zijn. Geen Nederlander tegen wil en dank, in elk geval.

Mensen denken, helemaal in deze tijd van volksverhuizingen en massamigratie, dat je identiteit in je paspoort schuilt. Tenzij je uiterlijk dat tegenspreekt; dan ben je opeens niet meer wat je paspoort dicteert. De kunst is om wat mensen denken wie je bent, volledig en ten allen tijden aan je laars te lappen. De waarheid is namelijk; je zal in elk paar ogen weer iemand anders zijn.

 

Een paar maanden geleden was ik bijvoorbeeld in Jakarta met een delegatie Nederlandse schrijvers. We lunchten met een invloedrijke Indonesische uitgever en spraken over de file, het monster dat de Javaanse hoofdstad in een wurggreep houdt. De Indonesische uitgever bekende dat ze dagelijks om zes uur ’s ochtends van huis ging om te werken, en pas om tien uur in de avond thuis kwam. Zo gaat dat in Jakarta, voegde ze er met een berustende glimlach aan toe. Wij Nederlanders begrepen er niets van. Nederlanders, zei ze. Jij bent toch een Javaan. Ik glimlachte, wat van alles kon betekenen, maar in elk geval zei ik niet dat ik me een Surinamer voelde, soms, en dat ik me eerder zwart voelde dan bruin, eerder Afro dan Indo, want hoe leg je zoiets uit, ook aan jezelf.

 

Uiteindelijk, in zijn kern, boeit het ook niet. Niet voor een schrijver, althans. Die wil niet tot een groep gerekend worden, omdat daarmee onmiddellijk een deel van zijn vrijheid verloren gaat. Een wijsheid uit de Griekse oudheid luidt dat identiteit niet de plek is waar je geboren bent, maar de geestelijke vorming die je hebt doorgemaakt. De jongen die zijn paspoort te koop aanbood vandaag, besloot zijn advertentie met de reden waarom hij van zijn Nederlandse paspoort af wilde. Hij schreef; Dit document heeft geen toegevoegde waarde op mijn identiteit. Hij bedoelde het als een protest. Maar hij zat dichter bij de waarheid dan hij vermoedelijk weet.

 

 

 

 

 

Andere posts...